Overslaan en naar de inhoud gaan
#Tax & Legal #Business & International Tax #Voordeel Alle Aard (VAA) #Onroerend Goed

Voordeel alle aard voor gratis woonst blijft voor oproer zorgen

vrijdag 18/12/2020
Gratis woonst

Het voordeel van alle aard waarop u belast wordt indien u gratis een woning ter beschikking krijgt van uw vennootschap of werkgever, is al jarenlang voer voor discussie op verschillende fronten.

Een recent arrest van het Grondwettelijk Hof voegt een nieuw hoofdstuk toe aan dit verhaal waar voorlopig nog geen einde aan lijkt te komen. 

Waar gaat het precies over? 

Een bedrijfsleider of werknemer die een woning ter beschikking krijgt van zijn werkgever wordt logischerwijze belast op een voordeel van alle aard. Dat voordeel wordt forfaitair berekend en de formule is vastgelegd bij Koninklijk Besluit (artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB):

 

Geïndexeerd Kadastraal Inkomen x 100/60 x 2

Indien een rechtspersoon het voordeel aan haar bestuurder ter beschikking stelt, moest vroeger een multiplicator van 3,8 toegepast worden in plaats van de huidige 2 (als de woning een kadastraal inkomen van meer dan 745 euro had). Dat moest niet als het voordeel werd toegekend door een natuurlijke persoon. 

Inhoudelijke discriminatie terecht aangevochten

Heel wat belastingplichtigen vonden deze verschillende behandeling een discriminatie. Ze stapten naar de rechtbank en haalden hun slag thuis. Enkele hoven van beroep bevestigden de ongrondwettigheid van artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB. De belastingplichtigen mochten in de berekening de multiplicator van 3,8 weglaten en kregen een gedeeltelijke ontheffing van belasting.

Belangrijk detail: aangezien het niet om een fiscale wet ging, maar wel om een koninklijk besluit, kon de ongelijkheid niet worden aangevochten voor het Grondwettelijk Hof, maar waren de gewone rechtbanken bevoegd.

De fiscus erkent haar verlies, maar…

De fiscus legde zich neer bij de uitspraken van de hoven van beroep en nam zelfs een aangepast standpunt op in een circulaire zodat de beslissing een zekere algemene draagwijdte kreeg. Elke belastingplichtige die tijdig een bezwaar of een rechtsvordering had ingesteld, kon genieten van het ‘verminderde’ voordeel van alle aard voor gratis woonst.

De fiscus voegde echter een belangrijke kanttekening toe. De beslissingen van de hoven van beroep over het discriminatoire karakter van artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB zouden niet worden beschouwd als een ‘nieuw feit’ waarvoor een ambtshalve ontheffing kan worden verkregen, een vorm van administratief beroep dat enkel geldt in bepaalde omstandigheden. 

Die kanttekening had een belangrijke impact. Een verzoek tot ambtshalve ontheffing kan immers ingediend worden binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de aanslag gevestigd wordt. Aangezien de fiscus van mening was dat er geen sprake was van een ‘nieuw feit’, konden de belastingplichtigen die geen bezwaar geuit hadden tegen de toepassing van de forfaitaire raming, volgens de fiscus, geen ontheffing meer vragen.

Ondanks dat standpunt van de fiscus werden toch een redelijk aantal ingediende bezwaarschriften uitgebreid of aangevuld met verzoeken tot ambtshalve ontheffing. Zij het wel opnieuw met verweer van de fiscus. 

Nieuw feit of geen nieuw feit, that is the question 

En zo werd het voordeel van alle aard voor gratis woonst opnieuw het voorwerp van een beladen discussie. Artikel 376, § 2 WIB, dat de voorwaarden voor een administratieve ontheffing opsomt, bepaalt dat een wijziging in jurisprudentie niet als een nieuw feit kan worden beschouwd. Als het Grondwettelijk Hof een fiscaal wetsartikel wegens ongrondwettigheid vernietigt, dan geldt de uitzonderingsregel niet, en wordt de uitspraak wel als een nieuw feit beschouwd. 

De vraag in kwestie betrof nu of de bevestigde ongrondwettigheid van een fiscale reglementaire bepaling (artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB) kan worden beschouwd als nieuw feit waarvoor een ambtshalve ontheffing toegekend kan worden. Zeker omdat een fiscale reglementaire bepaling niet ter toetsing aan het Grondwettelijk Hof voorgelegd kan worden. 

Prejudiciële vraag voor Grondwettelijk Hof 

De eerste signalen waren hoopgevend, maar uiteindelijk volgden niet alle rechtbanken het standpunt van de belastingplichtige. Verschillende hoven en rechtbanken stelden daarom een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. De vraag was of artikel 376 § 1 en § 2 WIB de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt. 

  • Kan een arrest van het Grondwettelijk Hof na een prejudiciële vraag, waarin een belastingnorm in haar geheel of in sommige interpretaties ervan ongrondwettig wordt verklaard, wel als een nieuw feit beschouwd worden? 
  • En kan een uitspraak van de gewone Belgische hoven en rechtbanken waarin een belastingnorm in haar geheel of in sommige interpretaties ervan ongrondwettig wordt verklaard op basis van artikel 159 van de Grondwet en waar de belastingadministratie zich uitdrukkelijk bij heeft neergelegd of aangesloten, niet als een nieuw feit beschouwd worden?

Kort samengevat stelt het Grondwettelijk Hof dat als artikel 376 van het WIB zo moet worden geïnterpreteerd dat de beslissing van de hoven en de rechtbanken over de niet-toepassing van een ongrondwettig bevonden fiscale norm als een ‘nieuw feit’ moet worden geïnterpreteerd, aan de voormelde rechterlijke beslissing een gezag zou worden toegekend dat niet in overeenstemming is met artikel 159 van de Grondwet.

Volgens het Grondwettelijk Hof is er dus geen schending van het gelijkheidsbeginsel indien de vastgestelde ongrondwettigheid van het voordeel van alle aard voor gratis woonst niet te beschouwen is als een ‘nieuw feit’ waarvoor een ambtshalve ontheffing kan worden bekomen. 

Discussie nog niet finaal beslecht

De bal wordt dus teruggekaatst naar de hoven en rechtbanken die zich zullen moeten schikken naar het oordeel van het Grondwettelijk Hof. Het is nu aan hen om uit te maken of er in de aanhangig gemaakte zaken toch nog sprake kan zijn van een ‘nieuw feit’.

Enige ruimte werd nog gelaten met betrekking tot de circulaire van de administratie (Circulaire 2018/C/57 dd. 15.05.2018). Allicht zullen, in een mogelijks laatste poging om hun gelijk te halen, belastingplichtigen de hoven en rechtbanken trachten te overtuigen om die circulaire – waarin de fiscus de ongrondwettigheid van artikel 18, §3, punt 2 KB/WIB bevestigt – als een ‘nieuw feit’ te beschouwen. 

Voorlopig komt er dus nog geen einde aan de discussie over het voordeel van alle aard voor gratis woonst.

Neem contact op met één van onze adviseurs

Dimitri Lemeire

Dimitri Lemaire

Director Tax & Legal Services

Philippe Maes

Philippe Maes

Senior Tax & Legal Associate