Overslaan en naar de inhoud gaan
#Liquidatiereserve #Onroerend goed #Belastingen #Vennootschap #kmo #Winst

De liquidatiereserve voor de aanslagjaren 2013 en 2014: de opvulregel in fiscalibus

dinsdag 26/05/2015
De liquidatiereserve voor de aanslagjaren 2013 en 2014 de opvulregel in fiscalibus

Sinds het verhogen van het tarief van de roerende voorheffing op liquidatieboni van 10% naar 25% (vanaf 1 oktober 2014) bij het vereffenen van een vennootschap, heeft de regering een aantal maatregelen voorzien die deze zure pil moeten verzachten. Eén ervan is de permanente regeling voor de KMO-vennootschappen die ingaat vanaf 1 januari 2015 (voor het uitkeren van het liquidatieoverschot) en vanaf het aanslagjaar 2015 (voor het aanleggen van de liquidatiereserve en de afzonderlijke aanslag in de vennootschapsbelasting) en dus voor boekjaren die afsluiten uiterlijk op 30 december 2015.

De nieuwe programmawet van 30 maart 2015 voorziet ook in een overgangsregeling voor de 'kleine' vennootschappen, zodat de eerder 'vergeten' jaren nu ook kunnen genieten van het gunstig fiscaal regime m.b.t. liquidatieoverschotten.

​​​​​​​Wat vooraf ging en het ontstaan van de kloof

Het voordeel van ouder zijn, is het beschikken over een langer verleden (weliswaar eindig, tot zolang je het herinnert). Begin de jaren '80 werd de liquidatiebelasting zelfs afgeschaft, om terug in te voeren in 2002.

Het scharniermoment nu, bevindt zich in de programmawet van 28 juni 2013. Daar is aangekondigd dat de roerende voorheffing voor liquidatieboni vanaf 1 oktober 2014 zou worden opgetrokken van 10% naar 25%, waarbij, om de pil te verzachten en het oplaaiend protest wat te smoren, werd voorzien in een overgangsmaatregel. Zo kregen alle vennootschappen, onder voorwaarden, de kans om hun reeds eerder belaste reserves vast te klikken aan een in beginsel bevrijdend tarief van 10%. Het ging om de reserves die stonden vermeld in de jaarrekening die ten laatste op 31 maart 2013 was goedgekeurd door de aandeelhouders. In praktijk ging het in de meeste gevallen over de jaarrekeningen afgesloten per 31 december 2011 of uiterlijk op 30 september 2012 en gekoppeld aan het aanslagjaar 2012. 

Om het protest nog meer de kiem te kunnen smoren, is via de programmawet van eind december 2014 die overgangsmaatregel 'gepermanentiseerd'.
Zo ontstond er een kloof waardoor de aanslagjaren 2013 en 2014 volledig uit de boot vielen. Daar wordt nu dus aan verholpen. 

​​​​​​​De nieuwe regeling

De nieuwe regeling is een copy-paste van de permanent ingevoerde regel: ook de in vergetelheid geraakte reserves zullen dus, mits onmiddellijke betaling van een anticipatieve heffing van 10% later zonder enige bijkomende vorm van aanvullende belasting, als liquidatiebonus kunnen worden uitgekeerd. En mocht dit voordien toch gebeuren, dan geldt een supplementair tarief van 5% of 15% roerende voorheffing.

En ook hier is de regeling beperkt tot de KMO-vennootschappen zoals bedoel in artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen.

Het kind krijgt al naam "bijzondere liquidatiereserve", wellicht omdat ze .... bijzonder is. Veel inspiratie bij de naamkeuze was dus niet nodig.

​​​​​​​De te respecteren timing

Het tijdstip voor het aanleggen van de bijzondere liquidatiereserve en voor het betalen van de al even bijzondere aanslag daarop, is verschillend voor het aanslagjaar waartoe de betreffende winsten horen.

De reserve zelf dient aangelegd in het boekjaar waarin de belasting dient betaald.

De afzonderlijke aanslag van 10% dient gestort uiterlijk op:

  • 30 november 2015, als het om de winsten gaat van het boekjaar 2012 of het boekjaar dat eindigde uiterlijk op 30 december 2013 en dus gekoppeld aan het aanslagjaar 2013
  • 30 november 2016, voor de opgepotte winsten anno 2013 of van het boekjaar dat eindigde uiterlijk op 30 december 2014 en dus gekoppeld aan het aanslagjaar 2014 

In praktijk dient een vennootschap die haar boekhouding voert per kalenderjaar, de reserve dus aan te leggen in het boekjaar dat afsluit op 31 december 2015, voor haar winsten van het boekjaar 2012. Tegen uiterlijk 31 december 2016 dient de reserve dus aangelegd voor de winsten van het boekjaar 2013.

De timing houdt ook in dat de belasting al wordt betaald vooraleer de jaarrekening is goedgekeurd ...

​​​​​​​Welke winsten?

Het gaat om de te bestemmen winst van het betreffende boekjaar, dus na belasting.

Als voorwaarde geldt verder dat het bedrag van die winst nog steeds in de vennootschap moet zitten, maar dan wel in het begin van het boekjaar waarin de bijzondere liquidatiereserve wordt aangelegd. Het gaat dus om het bedrag van de winst, niet per sé om die winst.

Als in 2015 ook van het permanente systeem van liquidatiereserve gebruikt wordt gemaakt, zal die dus 10 % lager komen te liggen. Uit het één volgt immers het andere, en zo blijft het gezonde principe gehandhaafd van "kiezen is verliezen".

​​​​​​​De betaling van de belasting en te vervullen formaliteiten

De belasting moet worden betaald aan het ontvangkantoor vennootschapsbelasting.

Er dient ondermeer ook een aangifte ingediend waarvan het model nog zal worden gepubliceerd, samen met een verklaring op eer dat de vennootschap voldoet aan de voorwaarden van KMO vennootschap.

Voor de reserve zelf geldt het principe van de onaantastbaarheid.

​​​​​​​Uitkering van de liquidatiereserve vooraleer de vennootschap wordt geliquideerd

Zoals bij de permanente regeling het geval is, is een roerende voorheffing verschuldigd van respectievelijk 5% of 15% al naargelang de liquidatiereserve wordt uitgekeerd na of voor het verstrijken van het vijfde jaar na het aanleggen van de reserve.

Voor een vennootschap die dus afsluit op 31 december 2015 zal het tarief 15% bedragen tot en met 31 december 2020.

De wet dient nog gestemd in het Parlement en er kan nog worden aan geschaafd, maar dit wordt ongetwijfeld een interessante maatregel en een win-win operatie voor iedereen. Daardoor kan de regering immers het overheidstekort verder inperken (wat toch iedereen ten goede komt).
De belasting behoort ook tot de weinige die zonder morren kan worden geïnd.
De regeling is wel niet zonder valkuilen. Indien de vennootschap later bijvoorbeeld in slechter vaarwater terechtkomt en een deel van haar opgepotte winsten verliest, zal ze 'en cours de route' te veel belasting hebben betaald (inclusief renteverlies dus). Daarenboven heeft het een impact van 10 % op de notionele interestaftrek.
En tussen 30 november en het definitief afsluiten van het boekjaar kan nog heel wat gebeuren....

Neem contact op met een van onze adviseurs
Bert Lutin
Bert Lutin
Partner Tax & Legal Services