Beoogd Nederlands Box 3-stelsel per 1 januari 2028 weer terug naar de ontwerptafel
De vermogensrendementsheffing in box 3 blijft onderwerp van politieke discussie en maatschappelijke onrust in Nederland. Het huidige systeem, dat uitgaat van forfaitaire rendementen, staat al geruime tijd onder druk. De Nederlandse regering heeft daarom een wetsvoorstel ingediend om per 1 januari 2028 over te stappen naar een gecombineerd systeem van vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting.
Hoewel de Tweede Kamer het voorstel heeft aangenomen, is er veel kritiek geuit op de uitwerking. Het nieuwe kabinet, onder leiding van minister van Financiën Heinen, heeft daarom aangekondigd het wetsvoorstel opnieuw te willen beoordelen en op onderdelen aan te passen.
In dit artikel lichten wij de huidige regeling toe en bespreken wij de stand van zaken rond de voorgenomen wijziging per 2028.
Huidige regeling: forfaitair rendement of tegenbewijsregeling
Box 3 kent op dit moment feitelijk twee regelingen naast elkaar. Allereerst wordt het inkomen uit sparen en beleggen in box 3 belast op basis van een forfaitair rendement. Hierbij wordt het vermogen verdeeld in drie categorieën (spaargeld, overige bezittingen en schulden) en per categorie geldt een vastgesteld forfaitair rendement.
Daarnaast geldt, naar aanleiding van het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, latere jurisprudentie, en daaropvolgende wetgeving, een tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement. Als aannemelijk wordt gemaakt dat het werkelijke rendement lager is dan het forfaitair berekende rendement, dan wordt het belastbare inkomen vastgesteld op het werkelijke rendement. Onder werkelijk rendement vallen onder meer ontvangen rente en dividend, gerealiseerde vermogenswinsten en onder voorwaarden waardeveranderingen, zoals koerswinsten op beursgenoteerde aandelen.
Wilt u meer weten over de huidige, nog niet definitieve regeling? Lees dan meer op de website van Moore DRV.
Voorgenomen stelselwijziging per 2028
Het kabinet heeft het wetsvoorstel “Wet werkelijk rendement box 3” ingediend om per 1 januari 2028 over te stappen op een systeem waarin het werkelijke rendement centraal staat. De Tweede Kamer heeft dit wetsvoorstel inmiddels aangenomen.
Het voorstel gaat uit van een gecombineerde vermogensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting. In hoofdlijnen betekent dit dat belasting wordt geheven over reguliere inkomsten uit vermogen, zoals rente, dividend en huur, en daarnaast over positieve waardeveranderingen van vermogensbestanddelen.
Voor bepaalde vermogenscategorieën, met name onroerende zaken en belangen in startende ondernemingen, wordt niet aangesloten bij een vermogensaanwasbelasting, maar bij een vermogenswinstbelasting. In dat geval wordt niet jaarlijks de ongerealiseerde waardeverandering belast, maar wordt afgerekend op het moment van vervreemding. Daarnaast voorziet het voorstel in verliesverrekening over meerdere jaren en wordt het heffingsvrij vermogen vervangen door een heffingsvrij rendement.
Met deze systematiek wil de wetgever de belastingheffing beter laten aansluiten bij het daadwerkelijk behaalde rendement, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met situaties waarin vermogensbestanddelen minder liquide zijn.
Recente ontwikkelingen
Hoewel het wetsvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer, staat de invoering per 1 januari 2028 opnieuw ter discussie. Het nieuwe kabinet heeft aangekondigd het voorstel te willen herzien. Volgens minister Heinen bestaat er onvoldoende draagvlak voor de huidige uitwerking, met name in de Eerste Kamer.
De kritiek richt zich vooral op de voorgestelde vermogensaanwasbelasting. Onder die systematiek zou belasting worden geheven over jaarlijkse waardestijgingen, ook als deze nog niet zijn gerealiseerd. Dit kan betekenen dat belasting moet worden betaald over papieren winsten. In jaren waarin de waarde stijgt en daarna weer daalt, kan dat tot een onevenwichtig resultaat leiden.
Daarnaast zijn er zorgen over de uitvoerbaarheid en de administratieve lasten. Het waarderen van uiteenlopende vermogensbestanddelen en het verwerken van verliezen brengt aanzienlijke complexiteit met zich mee.
Tegelijkertijd wordt binnen het kabinet gekeken naar de mogelijkheid van achterwaartse verliesverrekening, waarbij beleggers verliezen in een bepaald jaar kunnen verrekenen met eventuele winsten uit een eerder jaar. In het politieke debat wordt ook gesproken over een mogelijke verdere ontwikkeling naar een zuivere vermogenswinstbelasting, waarbij uitsluitend bij verkoop wordt afgerekend.
Hoewel het kabinet vasthoudt aan 1 januari 2028 als beoogde ingangsdatum, is duidelijk dat de definitieve vormgeving nog niet vaststaat. Het nieuwe box 3-stelsel lijkt daarmee onderdeel van een bredere herziening van de vermogensheffing.
Gevolgen voor u van de recente ontwikkelen
Voor de komende jaren verandert er weinig. Voor 2025, 2026 en 2027 blijft het overgangsstelsel van kracht. Uitgangspunt daarbij is heffing op basis van het forfaitaire rendement, waarbij belastingplichtigen gebruik kunnen maken van de tegenbewijsregeling als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.
Voor Belgische inwoners met vermogen in Nederland, zoals Nederlands vastgoed of Nederlandse beleggingen, kan box 3 eveneens relevant zijn. Nederland kan in bepaalde gevallen belasting heffen over dit vermogen. De ontwikkelingen rond box 3 kunnen daarom ook gevolgen hebben voor Belgische belastingplichtigen met Nederlandse bezittingen.