Wereldwijde minimumbelasting: OESO lanceert het ‘Side-by-Side’ pakket onder Pillar 2
Op 5 januari 2026 lanceerde het ‘OESO Inclusive Framework’ (of kortweg ‘OESO’) het langverwachte Side-by-Side (‘SbS’) pakket als onderdeel van de richtlijnen rond de Global Anti-Base Erosion (‘GloBE’) Model Rules van Pillar 2 (‘P2’).
Deze nieuwe richtlijnen brengen enkele fundamentele administratieve versoepelingen met zich mee voor de toepassing van de wereldwijde minimumbelasting die multinationale groepen (‘MNE’s’) verplicht om effectief minimum 15% belasting te betalen over hun globale winst.
Voor MNE’s is de boodschap tweedelig. Enerzijds zorgt het SbS pakket voor een welgekomen en belangrijke administratieve vereenvoudiging in de berekening van de minimumbelasting in de desbetreffende landen. Anderzijds introduceert het een politiek gevoelige uitzonderingspositie voor de Verenigde Staten van Amerika (‘VS’), het land dat nog steeds niet wenst deel te nemen aan de P2 minimumbelasting.
Belangrijk is dat het SbS pakket pas ten vroegste van toepassing is op boekjaren die starten op of na 1 januari 2026. Het heeft dus geen impact op de toepassing van de bestaande P2 regels voor de jaren 2024 en 2025. Bijgevolg zullen MNE’s nog rekening moeten houden met een eventuele toepassing van P2 bijheffingen zoals de IIR- of UTPR-bijheffing (cfr. onze eerdere artikelen en infra). Daarnaast moeten de landen die reeds de P2 wetgeving hebben ingevoerd de nieuwe richtlijnen onder het SbS pakket tijdig kunnen omzetten in nationale wetgeving zodat deze al vanaf begin 2026 van toepassing kunnen zijn.
Het SbS pakket bestaat uit de volgende maatregelen:
- Een SbS safe harbour : vrijstelling van de IIR- en UTPR-bijheffingen voor de gehele groep
- Een Ultimate Parent Entity safe harbour: vrijstelling van de UTPR-bijheffing voor de UPE
- Een verlenging van de Transitional CbCR Safe Harbour: één jaar extra
- Een permanente Simplified Effective Tax Rate safe harbour
- Een Substance-based Tax Incentive safe harbour
De bovenstaande maatregelen omvatten steeds de benaming ‘safe harbour’ (of ‘veilige haven’ in het Nederlands). O.b.v. zulke veilige haven wordt op een vereenvoudigde wijze en zonder complexe berekening nagegaan of er in een bepaald land het risico bestaat op laagbelaste inkomsten. Als een groep zich in een bepaald land kan beroepen op één van de veilige havens, dan is er voor dat land geen bijheffing verschuldigd. Hierdoor vermijdt de groep de complexiteit van de berekening van het kwalificerend inkomen en de belastingen. Het doel van de OESO onder het SbS pakket is voornamelijk om extra veilige havens te voorzien om zo de administratieve lasten voor MNE’s verder te reduceren.
Hieronder vatten we de belangrijkste elementen van deze maatregelen graag voor u samen.
Het SbS systeem introduceert 2 nieuwe ‘veilige havens’
Het SbS systeem vormt de kern van het SbS pakket en is ontworpen om de GloBE-regels af te stemmen op de reeds bestaande belastingsystemen van bepaalde ‘kwalificerende’ landen. Het omvat twee mechanismen: enerzijds de SbSsafe harbour en anderzijds de UPE safe harbour.
SbS safe harbour vanaf 2026 : vrijstelling van de IIR- en UTPR-bijheffing voor de gehele groep in geval van “Qualified SbS regime” van de UPE
De meest opvallende maatregel is de SbS safe harbour vanaf 2026. Deze maatregel vormt het antwoord van de OESO op de jarenlange discussie met de VS omtrent de impact van P2 op Amerikaanse ondernemingen. De VS - die voorlopig en nog steeds geen P2 minimumbelasting hebben ingevoerd - waren immers van mening dat VS entiteiten reeds onderworpen zijn aan een eigen minimumbelasting kader (bvb. de GILTI-tax). Bijgevolg moesten hoofdhuizen van MNE’s (‘HQ’) die in de VS zijn gevestigd volgens de VS autoriteiten uitgesloten worden van enige P2 bijheffing. Om verdere politieke discussies met de VS te vermijden, heeft de OESO dus nu een oplossing uitgewerkt voor VS HQ’s.
De SbS safe harbour laat toe dat MNE’s met een uiteindelijke moederentiteit (‘Ultimate Parent Entity’ of ‘UPE’) in een land met een zogenaamd Qualified SbS regime hun bijheffing onder de Income Inclusion Rule (‘IIR-bijheffing’) en de Undertaxed Profits Rule (‘UTPR-bijheffing’) op “nul” kunnen zetten. De SbS safe harbour geldt voor de volledige groep: zodra deze van toepassing is, zal er geen IIR- en UTPR-bijheffing spelen binnen de gehele groep.
De VS had kritiek op het feit dat onder de huidige P2 regels Amerikaanse bedrijven binnen de groep onderworpen konden worden aan de IIR- of UTPR-bijheffing in andere landen waarin de VS MNE actief is, terwijl voor Amerikaanse fiscale doeleinden reeds een gelijkaardige bijheffing bestaat. Voor meer informatie over de precieze werking van de IIR- en UTPR-bijheffing verwijzen we graag naar onze eerdere artikelen.
Een land kwalificeert als een ‘Qualified SbS regime’ wanneer het voldoet aan bepaalde voorwaarden. Kort samengevat komt het er bvb. op neer dat er reeds een alternatieve minimumbelasting aanwezig moet zijn van minstens 15% op zowel binnen- als buitenlandse inkomsten en de statutaire belastingvoet minstens 20% bedraagt. Daarnaast zijn er ook tal van andere voorwaarden die voldaan moeten worden.
Landen kunnen bij de OESO verzoeken om hun belastingstelsel te laten aanmerken als een Qualified SbS regime. Wanneer de OESO dit verzoek goedkeurt, wordt het betreffende rechtsgebied opgenomen in de ‘Central Record’ van landen met een Qualified SbS regime. Op 1 januari 2026 is de VS momenteel het enige land dat op de ‘Central Record’ staat als rechtsgebied dat een Qualified SbS regime heeft. Dit is opmerkelijk aangezien landen zoals China en India voorlopig (nog) geen P2 wetgeving hebben ingevoerd, terwijl zij ook vennootschapsbelastingtarieven van meer dan 20% hebben en eventuele regimes toepassen die gelijkaardig zijn aan bvb. het GILTI-regime in de VS.
De invoering van de SbS safe harbour heeft belangrijke gevolgen voor internationale groepen - bvb. : heeft een groep met HQ in de VS een dochteronderneming in een ander laag belast land, dan mogen andere landen (zoals België) geen IIR- of UTPR-bijheffing toepassen voor dat laag belaste land. De OESO erkent hiermee dat het huidige Amerikaanse belastingsysteem voldoende garanties biedt op het vlak van een ‘minimumbelasting’ en gelijkaardig is aan de P2 minimumbelasting. Bijgevolg kwalificeert het Amerikaans belastingstelsel volgens de OESO als een ‘Qualified SbS regime’.
Een belangrijke nuance is dat de SbS safe harbour geen impact heeft op de lokale binnenlandse bijheffing (‘Qualified Domestic Minimum Top-Up Tax’ of ‘QDMTT’). Indien een Amerikaanse HQ-groep in België minder dan 15% belasting betaalt en geen beroep kan doen op een zogenaamde ‘tijdelijke veilige haven’, dan kan België alsnog zelf een bijheffing doen tot 15%. De SbS safe harbour verhindert enkel dat andere landen (dan België) een bijheffing zouden kunnen doen voor België via een IIR- of UTPR-bijheffing.
Binnen Europa, onder meer in landen zoals Duitsland en Finland, wordt deze maatregel op enige kritiek onthaald. Terwijl Europese bedrijven zwaar investeren in de implementatie van P2, krijgt de VS een uitzonderingspositie terwijl het huidige Amerikaanse belastingsysteem niet helemaal te vergelijken valt met de P2 minimumbelasting. Dit wordt door velen als concurrentieverstorend en discriminerend ervaren. Het valt dan ook af te wachten of deze ongelijke behandeling een eventuele toets bij het Europees Hof van Justitie zou doorstaan.
UPE safe harbour: vrijstelling van de UTPR-bijheffing in geval van ‘Qualified UPE regime’
Naast de SbS safe harbour introduceert de OESO ook een specifieke ‘UPE safe harbour’. Wanneer de MNE geen toepassing kan maken van de SbS safe harbour (cfr. supra) omdat niet alle voorwaarden voldaan zijn, dan kan de MNE mogelijks vallen onder deze UPE safe harbour voor wat betreft het land waar de UPE gevestigd is.
De UPE safe harbour is van toepassing op landen met een zogenaamd ‘Qualified UPE regime’. Een land heeft een Qualified UPE regime als de UPE gevestigd is in een land dat reeds een kwalificerend binnenlands belastingsysteem heeft (zoals gedefinieerd onder de SbS safe harbour) en dit op 1 januari 2026 ingevoerd heeft en reeds van kracht is. Onder de UPE safe harbour wordt de UTPR-bijheffing in het land van de UPE geacht “nul” te zijn. Bijgevolg kunnen andere landen waar de MNE gevestigd is geen UTPR-bijheffing toepassen in hoofde van de UPE.
Momenteel is nog niet duidelijk welke landen naar verwachting zullen kwalificeren als een Qualified UPE regime. Hoewel de VS aan de vereisten lijkt te voldoen, vallen zij al onder de SbS safe harbour (cfr. supra), waardoor zij geen beroep meer hoeft te doen op de (beperktere) UPE safe harbour. Het blijft dus afwachten welke landen een aanvraag zullen doen bij de OESO en onder deze UPE safe harbour zullen vallen.
Belangrijk om te benadrukken is dat deze regeling geen impact heeft op (i) de IIR en UTPR buiten het land van de UPE en (ii) de lokale aangiftes in de binnenlandse bijheffing (‘QDMTT’s’).
Verdere vereenvoudiging van de berekening inzake de minimumbelasting
Naast het SbS systeem voorziet het SbS pakket in (een verlenging van de bestaande / bijkomende) administratieve vereenvoudigingen om na te gaan of een MNE in een bepaald land voldoende belastingen betaald zou hebben.
Verlenging van de tijdelijke CbCR safe harbours met één jaar
Om de administratieve lasten van de complexe GloBE-berekeningen onder P2 te beperken voor MNE’s, introduceerde de OESO reeds de tijdelijke veilige havens (‘transitional safe harbours’). O.b.v. zulke veilige haven berekening kan er op een vereenvoudigde manier nagegaan worden of de MNE in een land een complexe GloBE-berekening moet maken of niet. Indien dit niet het geval zou zijn, is er in dat land ook geen bijkomende binnenlandse bijheffing verschuldigd.
De tijdelijke Country-by-Country Reporting (‘CbCR’) safe harbours houden in dat de MNE voor een bepaald land geen binnenlandse bijheffing moet betalen (en dus geen volledige GloBE berekening moet maken) als dat land aan minstens één van de volgende drie testen voldoet:
- De de-minimis test,
- De simplified ETR-test,
- De routine-profit test.
Voor meer informatie over deze testen verwijzen we naar onze eerdere artikelen.
De overgangsperiode geldt voor boekjaren die starten vóór of op 31 december 2027 (en niet eindigen na 30 juni 2029). Wel moet de effectieve belastingdruk onder de simplified ETR-test minstens 17% bedragen voor boekjaren 2026 en 2027 (tegenover 15% of 16% in de eerdere jaren). Belangrijk om te vermelden is dat hier wel het “once-out, always-out” principe geldt (in tegenstelling tot de permanente simplified ETR safe harbour, cfr. punt 4.).
Om een vlotte overgang te garanderen van deze tijdelijke CbCR safe harbours naar de permanente Simplified ETR safe harbour (cfr. infra), verlengt de OESO deze tijdelijke CbCR safe harbours dus met één jaar.
Permanente Simplified ETR safe harbour
Bijkomend introduceert de OESO ook een permanente Simplified ETR safe harbour vanaf 2027 (mogelijks reeds vanaf 2026 indien coördinatie tussen de landen dit toelaat).
Indien de vereenvoudigde effectieve belastingvoet (‘Effective Tax Rate’ of ‘ETR’) in een land minstens 15% bedraagt of er wordt een ‘vereenvoudigd’ verlies gerapporteerd voor dat land, dan is er geen volledige GloBE-berekening vereist en wordt de IIR- UTPR- of QDMTT-bijheffing voor dat land geacht “nul” te zijn.
Het uitgangspunt van de berekening van de ETR is de financiële data die wordt gebruikt in de geconsolideerde jaarrekening, met beperkte correcties (o.a. voor uitgesloten dividenden, gerealiseerde meerwaarden op bepaalde aandelenparticipaties en bijhorende belastingen). Echter, in sommige landen waar de QDMTT wordt berekend op basis van het lokale boekhoudstelsel, moet deze laatste ook worden gebruikt voor de Simplified ETR safe harbour.
De Simplified ETR safe harbour kan enkel toegepast worden als de MNE in de twee voorgaande jaren voorafgaand aan het jaar waarin er toepassing kan gemaakt worden van de permanente Simplified ETR safe harbour, er in dat land geen bijheffing verschuldigd is geweest. In tegenstelling tot de tijdelijke CbCR safe harbours geldt hier dus niet het “once-out, always-out” principe. M.a.w., zodra de groep kan aantonen dat er voor twee opeenvolgende jaren geen bijheffing verschuldigd was in een land, mag de groep voor dat land opnieuw de Simplified ETR safe harbour gaan berekenen en toepassen.
De OESO sluit niet uit dat andere tijdelijke safe harbours (namelijk de de minimis test en de routine profit test) zullen geïntegreerd worden onder deze permanente safe harbour regeling. Bijkomend hebben groepen tijdens de overgangsperiode de optie om de tijdelijke safe harbours of de permanente Simplified ETR safe harbour toe te passen voor een bepaald land.
Substance-based tax incentive safe harbour vanaf 2026
Voor boekjaren die starten op of na 1 januari 2026 wordt ook een nieuwe Substance-Based Tax Incentive (‘SBTI’) safe harbour ingevoerd.
Deze regeling laat toe om bepaalde lokale belastingvoordelen die gekoppeld zijn aan reële economische activiteiten gunstiger te behandelen bij de berekening van de effectieve belastingvoet onder P2. Op vandaag kunnen fiscale belastingvoordelen er immers toe leiden dat de effectieve belastingvoet onder de 15% valt voor een bepaald land (denk bvb. aan de toepassing van de Belgische aftrek voor innovatie inkomsten tijdens een bepaald jaar). Bijgevolg kan er een bijheffing verschuldigd zijn onder de huidige P2 wetgeving.
Onder de SBTI safe harbour kan een bepaald bedrag toegevoegd worden aan de betrokken belastingen zodat de effectieve belastingvoet hoger uitkomt, op voorwaarde dat het gaat om een ‘Qualified tax incentive’. M.a.w., deze veilige haven heeft tot doel om de impact van bepaalde kwalificerende belastingvoordelen op de effectieve belastingvoet te verminderen.
Een belastingvoordeel komt in aanmerking als een Qualified tax incentive indien ze voldoet aan de volgende voorwaarden:
- Het moet gaan om algemeen beschikbare stimuli, gebaseerd op (i) uitgaven (zgn. ‘expenditure-based incentive’) of (ii) de productie van goederen in het land (zgn. ‘production-based tax incentive’).
- De stimulans moet rechtstreeks verbonden zijn met lokale economische activiteiten in het land.
- Het voordeel is onderworpen aan een substance cap, die beperkt voor hoeveel de incentive kan worden meegenomen bij de berekening van de effectieve belastingdruk. Deze cap omvat 2 opties:
- Optie 1: 5,5% van het hoogste van:
- De in aanmerking komende loonkosten, of
- De afschrijvingen op materiële vaste activa.
- Optie 2: 1% van de boekwaarde van afschrijfbare materiële activa.
Voor België betekent dit dat fiscale incentives kritisch moeten worden geëvalueerd. Zo rijst de vraag of bijvoorbeeld de aftrek voor innovatie-inkomsten zal voldoen aan de voorwaarden van een Qualified tax incentive onder de SBTI safe harbour. Enige verduidelijking door de Belgische belastingadministratie zou hierin dus welkom zijn.
Conclusie
Met het SbS pakket wil de OESO P2 verder administratief vereenvoudigen en tegelijk de effectiviteit van het systeem versterken. Voor Belgische ondernemingen vormt de permanente Simplified ETR safe harbour alvast mogelijks een belangrijk instrument om de compliance kosten naar de toekomst toe te beperken.
Tegelijk blijft de uitzondering die de VS bekomen heeft onder de SbS safe harbour politiek gevoelig liggen. De komende jaren zal moeten blijken hoe andere landen hiermee omgaan en of bijkomende landen naast de VS in aanmerking komen voor een SbS safe harbour of UPE safe harbour.
De Europese Commissie heeft intussen bevestigd dat het SbS pakket zal worden toegepast binnen het kader van de huidige Europese P2 Richtlijn. Het is belangrijk te benadrukken dat het SbS pakket niet automatisch geldt voor de EU lidstaten en nog tijdig omgezet moet worden in de nationale wetgevingen opdat de safe harbours onder het SbS pakket reeds vanaf 2026 in werking kunnen treden.
Belgische ondernemingen doen er dan ook goed aan om tijdig de impact ervan te analyseren en hun compliance processen naar de toekomst toe hierop verder af te stemmen.
Binnen Moore Belgium en ons internationaal netwerk van kantoren hebben wij ook de nodige expertise en tools om MNE’s hierbij te assisteren.
Intussen werd op 19 maart 2026 op het officiële Pillar Two portaal van de FOD Financiën ook nog het ontwerp van het IIR aangifteformulier gepubliceerd voor publieke consultatie (met de mogelijkheid voor verbeteringen en verduidelijkingen te laten weten uiterlijk op 3 april 2026). Ook de gewijzigde concept aangifte voor de binnenlandse bijheffing werd nog op 23 maart gepubliceerd, tezamen met een toelichting bij deze aangifte, ter raadpleging.
Hebt u vragen over dit onderwerp, aarzel dan niet om contact op te nemen met onze experten of uw vertrouwd contactpersoon binnen Moore.