Neem contact op met één van onze experten
Belegt uw vennootschap in zogenaamde “DBI‑beveks” of overweegt u dit te doen? Dan brengt de fiscale hervorming met de Wet van 18 december 2025 belangrijke wijzigingen met zich mee. Vanaf aanslagjaar 2026 gelden er namelijk extra voorwaarden inzake de verrekening van de roerende voorheffing (“RV”) en een nieuwe afzonderlijke heffing op vrijgestelde meerwaarden op aandelen van een DBI-bevek.
Het algemene regime inzake Definitief Belaste Inkomsten
Het stelsel van de Definitief Belaste Inkomsten (“DBI-aftrek”) biedt vennootschappen de mogelijkheid om ontvangen dividenden onder voorwaarden vrij te stellen van Belgische vennootschapsbelasting (“VennB”). De regeling beoogt economisch dubbele belasting te vermijden. Winsten die reeds bij een dochtervennootschap belast werden, worden niet opnieuw belast bij de moedervennootschap. Om deze aftrek te kunnen genieten, moeten verschillende voorwaarden cumulatief vervuld zijn. Deze voorwaarden zijn kort samengevat:
- De aandelen moeten minstens één jaar worden aangehouden (t.w. de permanentievoorwaarde), en;
- Het deelnemingspercentage in de onderliggende vennootschap bestaat uit minstens 10% of de deelneming moet een aanschaffingswaarde van € 2.500.000 (*) hebben (t.w. de participatievoorwaarde), en;
- De uitkerende vennootschap moet onderworpen zijn aan een normaal belastingregime (t.w. de taxatievoorwaarde).
(*) Voor grote vennootschappen die enkel een aanschaffingswaarde hebben van minstens € 2.500.000 in de onderliggende vennootschap geldt er recent een bijkomende voorwaarde. Wanneer zij minder dan 10% deelneming hebben, maar wel een deelneming bezitten met een aanschaffingswaarde van minstens € 2.500.000, dan moet deze deelneming voortaan de aard hebben van een financieel vast actief bij de aandeelhouder.
De bovenstaande voorwaarden gelden ook voor de meerwaardevrijstelling op aandelen in de VennB.
De DBI-bevek als beleggingsfonds om fiscaal voordelig in aandelen te beleggen
Een DBI-bevek is een interessant investeringsvehikel om liquiditeiten te beleggen via uw vennootschap. Doorgaans ontvangt uw vennootschap jaarlijks een dividend uit zulke DBI-bevek. Over zulk dividend is er in principe 30% RV verschuldigd, waarbij uw vennootschap het netto-bedrag op de bankrekening gestort krijgt.
Tot en met het aanslagjaar 2025 kon de vennootschap het bruto dividend vrijstellen in de vennootschapsbelasting (“VennB”) via de zogenaamde DBI-aftrek. Het voordeel hierbij is dat de zogenaamde permanentie- en participatievoorwaarde voor de DBI-aftrek niet voldaan moeten zijn. Uw vennootschap hoeft dus geen minimumdeelneming van 10% of € 2.500.000 te verwerven in één individuele onderneming om in aanmerking te komen voor de DBI-aftrek.
In principe zal niet het volledige dividend als DBI-aftrek in mindering van de winst kunnen gebracht worden. De DBI-bevek zal immers jaarlijks een attest uitreiken waaruit moet blijken hoeveel procent (t.w. de “DBI-coëfficiënt”) van het bruto dividend effectief in aanmerking komt voor de DBI-aftrek. In de praktijk zal deze coëfficiënt vaak minstens 95% bedragen. Middels de DBI-aftrek wordt het dividend dus niet onderworpen aan 25% VennB (of het verlaagd tarief van 20% VennB over de eerste EUR 100.000 aan belastbare winst). Dezelfde vrijstelling is ook van toepassing voor gerealiseerde meerwaarden op aandelen van een DBI-bevek.
De 30% RV vormt een kost voor uw vennootschap die fiscaal niet-aftrekbaar is. Echter kan de RV wel verrekend worden met de verschuldigde VennB en in de mate dat de RV niet volledig verrekend kan worden, is het saldo aan RV terugbetaalbaar via het aanslagbiljet.
Nieuwe fiscale spelregels voor inkomsten uit een DBI-bevek vanaf aanslagjaar 2026
Een deel van de fiscale hervorming richt zich enerzijds op een afzonderlijke heffing van 5% op vrijgestelde meerwaarden die vennootschappen realiseren bij de verkoop van aandelen van een DBI-bevek. Anderzijds wordt de verrekening van de RV op dividenden van een DBI-bevek gekoppeld aan een bijkomende voorwaarde, namelijk het toekennen van een jaarlijkse minimumbedrijfsleidersbezoldiging aan minstens één bestuurder – natuurlijk persoon van EUR 45.000 (EUR 50.000 vanaf boekjaar 2026).
- Nieuwe 5%‑heffing op vrijgestelde meerwaarden op aandelen van DBI-beveks
Vrijgestelde meerwaarden die vennootschappen realiseren bij de verkoop van aandelen van een DBI‑bevek worden vanaf aanslagjaar 2026 belast aan een afzonderlijke heffing van 5%. De 5% heffing wordt dus enkel toegepast op het deel van de meerwaarde dat vrijgesteld wordt o.b.v. de DBI‑coëfficiënt aangeleverd door de DBI-bevek. Het deel van de meerwaarde op aandelen dat niet vrijgesteld kan worden, is niet onderworpen aan de 5%-heffing. In tegenstelling tot de nieuwe meerwaardebelasting op aandelen in de personenbelasting is er geen vrijstelling voorzien voor de zogenaamde “historische meerwaarden” t.e.m. 31/12/2025. De 5%-heffing is ook steeds verschuldigd, ongeacht de aanwezigheid van fiscale aftrekken. Minderwaarden op aandelen in de bedoelde beleggings- of vastgoedvennootschappen zijn ook niet aftrekbaar van de geviseerde vrijgestelde meerwaarde onderworpen aan de afzonderlijke aanslag.
Voorbeeld: als de meerwaarde op aandelen voor 91% recht geeft op een vrijstelling (o.b.v. het uitgereikte attest), zal 91% van de meerwaarde op de aandelen van deze DBI-bevek vrijgesteld kunnen worden. Echter zal voortaan 91% van de meerwaarde wel onderworpen zijn aan de 5% afzonderlijke aanslag in hoofde van de vennootschap - investeerder.
In de praktijk zullen DBI-beveks echter vaak de investeerders uitkopen via een zogenaamde “inkoop van eigen aandelen” en worden de aandelen dus niet verkocht aan derden. Bij een dergelijke inkoop van eigen aandelen door een DBI-bevek met onmiddellijke vernietiging van de ingekochte aandelen spreekt men fiscaal van een “inkoopbonus”. Daar zulke inkoopbonus als een dividend beschouwd wordt, is de afzonderlijke heffing van 5% niet van toepassing op dergelijke verrichtingen (wat dus goed nieuws is). Een verkoop van aandelen die niet via een inkoop van eigen aandelen plaatsvindt, maar door een verkoop aan derden, valt mogelijks wel onder de nieuwe 5% heffing.
- Verrekening en teruggaaf van de RV alleen bij minimumbezoldiging!
Dividenduitkeringen door een DBI-bevek blijven dus in aanmerking komen voor de DBI-aftrek o.b.v. de DBI-coëfficiënt. Echter, de verrekening en teruggaaf van de ingehouden RV is voortaan afhankelijk van het toekennen van een jaarlijkse minimumbezoldiging aan minstens één bestuurder – natuurlijk persoon. Deze bezoldiging bedraagt voorlopig minstens € 45.000 per jaar, maar zal worden opgetrokken naar minstens € 50.000 per jaar vanaf boekjaar 2026 (jaarlijks te indexeren). De jaarlijkse bezoldiging kan echter lager zijn, maar dan moet deze minstens gelijk zijn aan de belastbare winst van de vennootschap.
Deze verstrenging geldt niet alleen voor DBI-beveks, maar ook voor gereglementeerde vastgoedvennootschappen (“GVV’s”), (openbare) privaks, gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen (“GVBF”), European Long-Term Investment Fund (“ELTIF”) en hun buitenlandse tegenhangers.
Deze verstrenging geldt niet voor (i) erkende coöperatieve vennootschappen en (ii) nieuw opgerichte vennootschappen tijdens de eerste vier boekjaren. Bij deze laatste categorie moet er immers tijdens de eerste 4 boekjaren geen minimumbezoldiging toegekend worden aan een bestuurder – natuurlijk persoon om in aanmerking te komen voor het verlaagd 20% VennB tarief over de eerste € 100.000 aan belastbare basis (naast de overige voorwaarden die voldaan moeten zijn).
Uw vennootschap heeft in 2025 geen minimumbezoldiging toegekend?
Indien er geen vereiste minimumbezoldiging werd toegekend in 2025, heeft uw vennootschap de keuze:
- De vennootschap past de DBI-aftrek toe, maar u kunt de ingehouden 30% RV niet verrekenen of recupereren.
- De vennootschap laat het dividend belasten aan 25% VennB, waardoor de 30% RV wel recupereerbaar en terugvorderbaar wordt.
In de meeste gevallen zal het dan ook voordeliger zijn om het bruto dividend te laten belasten in de VennB aan 25% en de 30% RV te laten verrekenen en deels terug te vorderen.
Voorbeeld:
| Boekjaar per 31/12/2025 | Geen DBI-aftrek toepassen, wel verrekening RV | DBI-aftrek toepassen en geen verrekening RV |
|---|---|---|
| Bruto-dividend | 100 | 100 |
| RV | <30> | <30> |
| Netto-dividend | 70 (a) | 70 (a) |
| Verworpen uitgaven | + 30 | + 30 |
| Fiscale winst | 100 | 100 |
| DBI-aftrek | <0> | <100> |
| Belastbaar | 100 | 0 |
| VennB | + 25 (b) | + 0 (b) |
| Verrekening RV | <30> (c) | <0> (c) |
| Netto cash | 75 (a - b - c) | 70 (a - b - c) |
Praktische aandachtspunten voor 2026 en volgende jaren
Belegt uw vennootschap in DBI-beveks of gelijkaardige beleggingsfondsen, of overweegt u dit te doen? Dan is het belangrijk om tijdig uw bezoldigingsregime te bekijken zodoende de verrekening van de RV veilig te stellen. De DBI‑bevek blijft ondanks de hervormingen immers een interessant instrument voor vennootschappen die fiscaal efficiënt willen beleggen in aandelen.
Heeft u vragen over de impact van deze aanpassingen? Onze experten staan klaar om u verder te adviseren.


