Overslaan en naar de inhoud gaan
#Tax & Legal #Fiscaliteit #Verkiezingen

Federaal regeerakkoord en ontwerp-programmawet De Wever: wat moet u als ondernemer zeker weten? (update: maart 2025)

01/02/2025
Jo Roseleth
Jo Roseleth
Managing Partner Tax & Legal Services
Contact

UPDATE MAART 2025 / Sinds de aankondiging van het federale regeerakkoord is er achter de schermen hard gewerkt aan de concrete uitwerking van de fiscale plannen. Intussen zijn de eerste wetteksten uitgelekt en wordt duidelijk welke maatregelen als eerste in werking zullen treden. De focus ligt op een aantal gerichte fiscale ingrepen die een onmiddellijke impact zullen hebben op bedrijven en investeerders.

Hoewel structurele hervormingen pas op langere termijn worden doorgevoerd, staan er nu al belangrijke wijzigingen op til. Denk aan aanpassingen aan de DBI-aftrek, de liquidatiereserve en fiscale regularisatie. Deze maatregelen zullen worden opgenomen in een programmawet die binnenkort aan het parlement wordt voorgelegd.

Gezien deze ontwikkelingen zullen we, waar nodig, onze eerdere inzichten over het regeerakkoord herbekijken en verfijnen op basis van de nieuwste informatie.

1. Directe belastingen

ONDERNEMINGEN

Nieuwe update over de meerwaardebelasting: wat moet u weten?

Meer dan twee maanden na het regeerakkoord zijn de krijtlijnen van de aangekondigde “solidariteitsbijdrage” of meerwaardebelasting concreter geworden. De eerste wetsontwerpen geven een beeld van de toekomstige regeling, die vanaf 1 januari 2026 in werking zou treden. We zetten de belangrijkste punten overzichtelijk voor u op een rij.

Wie wordt getroffen?

De meerwaardebelasting zal van toepassing zijn in de personenbelasting en de rechtspersonenbelasting (o.a. vzw's, private stichtingen). Hierdoor ontsnappen ook niet-commerciële entiteiten niet aan de meerwaardebelasting. 

Welke activa?

De belasting viseert meerwaarden gerealiseerd op "financiële activa", waaronder:

  • Financiele instrumenten (aandelen, obligaties, ETF's, derivaten, etc.)
  • Aantal verzekeringsproducten en onder bepaalde voorwaarden (tak 21, tak 23, tak 26)
  • Crypto-activa
  • Valuta, inclusief beleggingsgoud

Uitzonderingen zijn voorzien voor pensioenfondsen, groepsverzekeringen en aandelen waarvoor belastingvoordelen voor start-ups of kmo’s zijn toegekend.

Wanneer is belasting verschuldigd?

De heffing treedt enkel op bij overdracht onder bezwarende titel buiten het beroepskader. Schenkingen, erfrechtelijke overdrachten en inbrengen in huwelijksgemeenschappen worden vrijgesteld, hoewel bij latere verkoop door de begiftigde wel belasting verschuldigd kan zijn. In het laatste geval zal de fiscus rekening houden met de aanschaffingswaarde van de eerste schenker. 

Daarnaast worden enkele gebeurtenissen gelijkgesteld met een overdracht onder bezwarende titel:

  • De uitkering bij leven van kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen. De uitkering bij overlijden of bij een wijziging tussen beleggingsfondsen of verzekeringen valt hier dus niet onder.
  • De verhuis van de fiscale woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland. Deze "exit tax" betreft de latente meerwaarden op financiële activa. In deze context rijzen er echter juridische vragen over de EU-conformiteit. Het Hof van Justitie oordeelde in eerdere arresten dat een onmiddellijke inning of zware zekerheidsstelling bij emigratie strijdig kan zijn met de vrijheid van vestiging.
  • Enige overdracht (bv. ook een schenking) aan een niet-inwoner. Dit wordt eveneens beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel en kan dus de meerwaardebelasting activeren. Ook hier kan de vraag rijzen of deze ongelijke behandeling van inwoners en niet-inwoners in overeenstemming is met het Europees recht.

Algemeen regime: 10% belasting

In het standaardregime wordt een tarief van 10% toegepast op meerwaarden. Er is een algemene belastingvrije voet van €10.000 per jaar, met beperkte overdraagbaarheid van het niet-gebruikte deel van deze vrijstelling van 1 jaar.

Een bijkomende vrijstelling geldt voor activa die onafgebroken gedurende minstens 10 jaar worden aangehouden. Deze vrijstelling geldt echter niet indien men onder het aanmerkelijk belang regime of uitzonderingsregime van de interne meerwaarden valt (zie hierna).

Bijzonder regime: aanmerkelijk belang

Voor belastingplichtigen (alleen of samen met zijn echtgenoot of zijn afstammelingen, zijn ascendenten, zijn zijverwanten tot en met de vierde graad en die van zijn echtgenoot) die de afgelopen 10 jaar op enig moment rechtstreeks of onrechtstreeks (dus via een holdingvennootschap) minstens 20% hebben aangehouden in een vennootschap, geldt een afwijkend tariefstelsel:

  • Vrijstelling op de eerste €1 miljoen aan meerwaarden (geïndexeerd voor AJ 2027)
  • Progressieve tarieven:
    • 1,25% tussen €1 miljoen en €2,5 miljoen
    • 2,25% tussen €2,5 miljoen en €5 miljoen
    • 5% tussen €5 miljoen en €10 miljoen
    • 10% boven €10 miljoen

Belangrijk: ook wie intussen onder de 20%-drempel is gezakt, maar ooit die minimum participatie had in de 10 jaar voor de overdracht, blijft onder dit regime vallen. 

Interne meerwaarden: 33% heffing

Bij verkoop aan een vennootschap waarin de overdrager zelf of via familieleden (tot tweede graad) controle uitoefent, wordt de gerealiseerde meerwaarde afzonderlijk belast tegen 33%. Dit wil vooral “misbruik” bij inbrengen in eigen holdings tegengaan.

Verder blijven meerwaarden die worden gerealiseerd naar aanleiding van inbrengverrichtingen volledig vrijgesteld van de meerwaardebelasting, ongeacht of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden van de Europese fusierichtlijn. Zoals onder de huidige regeling, wordt bij een inbreng een belaste reserve in kapitaal gevormd op het niveau van de overnemende vennootschap. 

Waardering: hoe de belastbare meerwaarde berekenen?

De belastbare meerwaarde is het positieve verschil tussen de verkoopprijs en de aanschaffingswaarde van de betrokken activa, zonder rekening te houden met enige kosten. Minderwaarden op financiële activa kunnen binnen hetzelfde belastbare tijdperk worden afgetrokken, maar enkel binnen dezelfde fiscale categorie waarin de meerwaarde is ontstaan, zoals bedoeld in het (nieuw) artikel 90, eerste lid, 9°, a), b) of c) van het WIB. Dit betekent dat verliezen binnen het regime van interne meerwaarden, aanmerkelijk belang of het algemene regime niet onderling verrekend mogen worden.

De aanschaffingswaarde wordt als volgt berekend: 

  • Beursgenoteerde activa: slotkoers per 31 december 2025
  • Niet-beursgenoteerde activa: hoogste van:
    • Waarde bij overdracht tussen onafhankelijke partijen in 2025
    • Waarde bij oprichting of kapitaalverhoging gedurende 2025
    • Contractuele waardering
    • Eigen vermogen + 4x EBITDA
  • Alternatief kan een onafhankelijke waardering door een bedrijfsrevisor of gecertifieerd accountant worden voorgelegd tegen eind 2026.
  • Voor aandelen of gelijkgestelde instrumenten verkregen onder de Aandelenoptiewet van 26 maart 1999:
    • de waarde op het moment van uitoefening van de optie (voor aandelen);
    • de marktwaarde op het moment van mogelijke uitoefening (voor opties).
  • Voor aandelen of gelijkgestelde instrumenten verworven met een prijsreductie (bv. onder de Aandelenoptiewet): de waarde op het moment van verwerving.

Indien een belastingplichtige meerdere financiële activa van dezelfde aard aanhoudt, wordt het gewogen gemiddelde gehanteerd voor de bepaling van de aanschaffingswaarde.

Indien de aanschaffingswaarde hoger is dan de waarde op 31 december 2025, kan de hogere historische waarde worden toegepast mits bewijs door de belastingplichtige. Bovendien wordt de meerwaardebelasting enkel geheven over de waardestijging gerealiseerd tijdens de periode waarin de belastingplichtige Belgisch rijksinwoner was.

Voor levensverzekeringsproducten geldt het verschil tussen de uitkering en de gestorte premies als belastbare basis.

Afschaffing bestaande regimes

Met de komst van deze meerwaardebelasting verdwijnen enkele bestaande belastingmechanismen:

  • De 16,5%-heffing bij verkoop van een aanmerkelijk belang aan een niet-EER-vennootschap wordt afgeschaft.
  • De Reynderstaks verdwijnt.
  • De discussie rond "abnormaal beheer" van financiële activa wordt voor deze activa afgesloten. Niet-financiële activa (bijv. kunstwerken) blijven wel onderworpen aan deze toets.

Heffing en discretie

De meerwaardebelasting zal in principe via bronheffing door Belgische tussenpersonen worden geïnd. Wie hiervan afziet, kan via de aangifte de vrijstellingen (zoals voor de eerste 10.000 EUR) claimen, maar zal minder discretie genieten ten opzichte van de fiscus.

Inwerkingtreding

De nieuwe regeling geldt voor meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026. Enkel de waardestijgingen opgebouwd vanaf 1 januari 2026 worden belast, waarbij de waarde per 31 december 2025 als uitgangspunt dient, tenzij de aanschaffingswaarde hoger is en kan worden bewezen.

Conclusie

Hoewel de contouren nu duidelijker zijn, blijft er nog veel onzekerheid over de praktische uitvoering en de interpretatie van de regels, zeker inzake exit-tax en vrijstellingen bij participaties onder de 20%. Politieke onderhandelingen en verdere verfijningen worden nog verwacht. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet. 

De effectentaks, ook wel de jaarlijkse taks op effectenrekeningen genoemd, is een belasting die wordt geheven op effectenrekeningen waarvan de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten tijdens de referentieperiode meer dan 1 miljoen euro bedraagt. Het is de rekening zelf die belast wordt, ongeacht of deze individueel of in onverdeeldheid wordt aangehouden. De taks geldt zowel voor Belgische inwoners met een effectenrekening in binnen- of buitenland als voor niet-inwoners die een effectenrekening aanhouden bij een Belgische financiële tussenpersoon.

In de supernota werd aanvankelijk voorgesteld om het tarief van de effectentaks te verhogen van 0,15% naar 0,25%. Dit werd uiteindelijk niet weerhouden in het regeerakkoord. Er komt dus in principe geen tariefverhoging, hoewel sommige regeringspartijen dit niet durven uit te sluiten in de pers.

Wel zal de regering maatregelen in de voorgestelde programmawet nemen om ontwijkingsmechanismen strikter aan te pakken. Momenteel maken sommige beleggers gebruik van technieken zoals het spreiden van effecten over meerdere rekeningen om onder de drempel van 1 miljoen euro te blijven. Een andere strategie die momenteel door sommige beleggers wordt gebruikt om de effectentaks te vermijden, is het omzetten van effecten op een effectenrekening naar aandelen op naam. Momenteel vallen aandelen op naam immers buiten het toepassingsgebied van de effectentaks. 

In de ontwerpprogrammawet wordt nu een algemene antimisbruikbepaling opgenomen, met een weerlegbaar vermoeden voor volgende specifieke situaties:

  • Het splitsen van effectenrekeningen bij dezelfde financiële instelling.
  • Het overdragen van effecten naar rekeningen bij andere financiële instellingen.
  • Het omzetten van belastbare financiële instrumenten op een effectenrekening naar financiële instrumenten op naam.

Deze handelingen zullen worden geacht te zijn uitgevoerd met het hoofdzakelijke doel om de effectentaks te ontwijken, tenzij de titularis kan aantonen dat er een andere essentiële en rechtmatige reden voor de omzetting bestaat, bijvoorbeeld het verkrijgen van stemrechten of loyaliteitsstemrechten.

Bovendien zullen houders van effectenrekeningen onderworpen worden aan strengere meldings- en verantwoordingsverplichtingen, waardoor ze meer transparantie moeten bieden over de uitgevoerde transacties. Concreet betekent dit dat wanneer titularissen niet kunnen bewijzen dat hun handelingen gemotiveerd zijn door andere redenen dan fiscale ontwijking, de waarde van de omgezette of overgedragen effecten alsnog mee in aanmerking zal worden genomen bij het bepalen van de belastbare drempel van 1 miljoen euro.

Kortom, hoewel er geen tariefverhoging gepland is, zal de effectentaks strikter worden gecontroleerd en zullen ontwijkingsconstructies voortaan moeilijker te realiseren zijn.

De geplande hervorming van de DBI-aftrek, zoals eerder aangekondigd in het regeerakkoord, ondergaat enkele belangrijke aanpassingen in het ontwerp van de programmanet. Hoewel de intentie van de hervorming in het regeerakkoord behouden blijft, zijn er enkele nuances en nieuwe bepalingen die een impact zullen hebben op bedrijven die dividenden ontvangen.

Momenteel geldt dat een vennootschap kan genieten van de DBI-aftrek indien ze een participatie van minstens 10% in een andere vennootschap bezit, of indien de aanschafwaarde van de deelneming minstens €2,5 miljoen bedraagt. In het nieuwe wetsontwerp wordt deze alternatieve minimumparticipatie verhoogd naar €4 miljoen. Opmerkelijk is dat deze verhoging niet beperkt blijft tot dividenden tussen grote ondernemingen, maar voor alle vennootschappen van toepassing zal zijn. Dit betekent dat ondernemingen met participaties tussen €2,5 miljoen en €4 miljoen in de toekomst niet langer kunnen genieten van het DBI-regime, tenzij ze voldoen aan de 10%-drempel. 

Naast de drempelverhoging komt er een extra kwalitatieve voorwaarde voor de participaties vanaf 4 miljoen EUR en voor en tussen grote ondernemingen: de deelneming moet de aard van een financieel vast actief hebben. Deze voorwaarde werd destijds echter geschrapt wegens niet compatibel met de Europese moeder-dochterrichtlijn. De vraag is dan ook of het deze keer stand zal houden? Dit gezegd zijnde, deze maatregel betekent dat de vennootschap een “duurzame band” moet hebben met de onderneming waarin ze investeert en dat de investering niet als een loutere belegging mag worden beschouwd. Dit kan problematisch zijn voor vennootschappen die aandelen verwerven met het oog op een latere verkoop. Aandelen die louter worden aangehouden als liquiditeitsbeleggingen, zoals beursgenoteerde aandelen in portefeuilles van holdings en investeringsmaatschappijen, zullen hierdoor niet langer in aanmerking komen voor de DBI-vrijstelling. De impact van deze wijziging is aanzienlijk, aangezien participaties die niet als financiële vaste activa kunnen worden geclassificeerd, in de toekomst mogelijk niet meer fiscaal voordelig zullen zijn. Dit zou in principe betrekking moeten hebben op vennootschappen die in beursgenoteerde aandelen beleggen zonder een lange termijn betrokkenheid.

De definitie van een middelgrote vennootschap wordt nu expliciet opgenomen in het WIB en baseert zich op artikel 1:24, §§ 2 tot 6 van het WVV. Concreet blijft een vennootschap middelgroot zolang ze op geconsolideerde basis niet meer dan één van de volgende drempels overschrijdt:

  • Jaargemiddelde van 250 werknemers
  • Jaarlijkse netto-omzet (excl. btw) van €40 miljoen
  • Balanstotaal van €20 miljoen

Hierdoor zullen grote ondernemingen die dividenden ontvangen van andere grote ondernemingen vaker aan strengere voorwaarden moeten voldoen om van de DBI-regeling te blijven genieten.

Hoewel het regeerakkoord oorspronkelijk sprak over een omvorming van de DBI-aftrek naar een vrijstellingsregeling, blijft in het huidige ontwerp de aftrekbehandeling behouden. De uiteindelijke transitie naar een vrijstelling zou pas later via toekomstige wetgeving worden gerealiseerd. Dit betekent dat bedrijven voorlopig nog steeds een aftrek moeten toepassen in plaats van een directe vrijstelling.

De nieuwe minimumparticipatievoorwaarde en de eis van financiële vaste activa voor grote ondernemingen worden ook doorgetrokken naar de vrijstelling van roerende voorheffing op dividenden die Belgische vennootschappen uitkeren naar buitenlandse entiteiten. Dit betekent dat buitenlandse groepsvennootschappen mogelijk niet langer kunnen genieten van de vrijstelling indien ze niet voldoen aan de nieuwe drempels.

De ontwerp-programmawet heeft ook impact op het gunstregime voor DBI-beveks. De regering stelt voor om een nieuwe heffing van 5% op meerwaarden bij de uitstap uit een DBI-bevek in te voeren. Daarnaast wordt de verrekenbaarheid van de roerende voorheffing met de vennootschapsbelasting voortaan gekoppeld aan een minimale bedrijfsleidersbezoldiging van 45.000 EUR. Dit betekent dat een vennootschap die dividenden uit een DBI-bevek ontvangt, de betaalde roerende voorheffing enkel nog in mindering zal kunnen brengen als ze voldoet aan deze bezoldigingsvoorwaarde. 

De koppeling met de minimale bedrijfsleidersbezoldiging is een opvallende toevoeging. Dit lijkt vooral gericht op managementvennootschappen en kmo’s, waar bedrijfsleiders soms bewust kiezen voor een lagere bezoldiging ten gunste van dividenden of beleggingen binnen de vennootschap. Door de verrekening van roerende voorheffing afhankelijk te maken van een bepaald minimumloon, wordt de flexibiliteit van ondernemers in hun verloningspolitiek ingeperkt. Dit kan met name gevolgen hebben voor vennootschappen die hun kasstromen anders willen beheren of waarvan de bedrijfsleider slechts deeltijds actief is.

Carried interest is een prestatiegebonden vergoeding die fondsbeheerders ontvangen wanneer de investeringen van een private equity- of venture capitalfunds een bepaalde winstdrempel overschrijden. Dit mechanisme dient als een incentive voor fondsmanagers om de waarde van de onderliggende investeringen te maximaliseren. In de praktijk worden deze inkomsten vaak gestructureerd als dividenden op specifieke aandelenklassen (zogenaamde carried interest aandelen), die enkel worden uitbetaald na een vooraf bepaald rendement voor de gewone investeerders. Hierdoor draagt de beheerder een hoger risico, omdat hij pas rendement ontvangt nadat andere aandeelhouders een minimumrendement hebben behaald.

Het regeerakkoord voorziet expliciet in een aangepast fiscaal kader voor carried interest, waarbij het maximale belastingtarief op roerende inkomsten uit deze carried interest wordt vastgelegd op 30%. Dit tarief heeft geen impact op bestaande structuren die vóór de invoering van deze maatregel zijn opgezet.

Het is positief dat België private equity wenst te ondersteunen met een fiscaal kader dat rechtszekerheid biedt, vooral omdat de sector internationaal sterk concurreert met buurlanden zoals Luxemburg en Nederland. De vraag rijst enkel of het voldoende concurrentieel is vanuit een belastingdrukperspectief. 

In het recente ontwerp van de programmawet, zoals nu beschikbaar, is evenwel nog geen concrete bepaling opgenomen over de aangekondigde hervorming rond carried interest.

In het regeerakkoord werd reeds aangekondigd dat de emigratie van een vennootschap fiscaal behandeld zal worden als een fictieve liquidatie. Dit betekent dat wanneer een Belgische vennootschap haar fiscale woonplaats naar het buitenland verplaatst, zij geacht wordt te zijn geliquideerd, waarbij zowel de vennootschap als haar aandeelhouders geconfronteerd worden met een belastingheffing.

Momenteel worden bij emigratie enkel de belaste reserves en latente meerwaarden in de vennootschap geacht gerealiseerd te zijn en onderworpen aan Belgische vennootschapsbelasting. De aandeelhouders blijven echter tot vandaag buiten schot, aangezien er vanuit fiscaal oogpunt geen dividenduitkering plaatsvindt en dus ook geen heffing van roerende voorheffing verschuldigd is.

De ontwerp-programmawet breidt nu de exit-tax uit tot de aandeelhouders door een "fictief dividend" te introduceren bij de emigratie van de vennootschap. Dit fictief dividend zal zich voordoen wanneer de maatschappelijke zetel of fiscale woonplaats van de vennootschap naar het buitenland wordt verplaatst, maar ook bij de overdracht van individuele activa van België naar het buitenland. Concreet betekent dit dat de aandeelhouders geacht zullen worden een dividend te ontvangen ter hoogte van de waarde van het overgebrachte actiefbestanddeel, wat dus een aanzienlijke bijkomende belastinglast met zich kan brengen.

Om dubbele heffing te vermijden, voorziet het ontwerp in een mechanisme waardoor belastingplichtigen de mogelijkheid krijgen om de belasting die werd geheven op het fictief dividend te verrekenen met eventuele toekomstige belastingen verschuldigd bij een effectieve dividenduitkering. Dit beperkt het risico op dubbele heffing enigszins, hoewel het mechanisme complex blijft.

Gezien het brede toepassingsgebied van de maatregel – niet alleen volledige emigratie van de vennootschap, maar ook specifieke activatransfers – lijkt de regering erop te willen toezien dat activa en reserves die onderworpen waren aan Belgische vennootschapsbelasting niet zonder fiscale gevolgen naar het buitenland kunnen worden overgebracht.

Daarnaast voorziet de ontwerpwetgeving ook in een specifieke meldingsplicht. Vennootschappen zullen voortaan verplicht worden individuele fiches op te stellen om aandeelhouders te informeren over de toekenning van het fictieve dividend en het bedrag ervan. Indien de vennootschap deze verplichting niet nakomt, zal de fiscus een afzonderlijke aanslag vestigen in hoofde van de vennootschap zelf.

Tot slot bevat het ontwerp een expliciete verwijzing naar de fundamentele vrijheden uit het Europees Verdrag. Om hiermee in overeenstemming te blijven, krijgen aandeelhouders bij emigratie van de vennootschap of activatransfers naar een EER lidstaat de keuze tussen onmiddellijke betaling van de verschuldigde belasting of uitstel van betaling ervan.

Het regeerakkoord voorzag een verhoging van de maaltijdcheques met tweemaal 2 euro gespreid over de komende legislatuur, waarbij ook de fiscale aftrekbaarheid van de werkgeversbijdrage overeenkomstig zou worden verhoogd om de budgettaire neutraliteit voor bedrijven te waarborgen. Tevens zouden de bestedingsmogelijkheden van maaltijdcheques worden uitgebreid, zodat werknemers meer keuzevrijheid krijgen bij het gebruik van hun maaltijdcheques.

Echter, in de ontwerp-programmawet wordt er voorlopig geen verdere melding gemaakt van deze aangekondigde maatregel, waardoor het momenteel nog onduidelijk blijft of en wanneer deze wijziging effectief zal worden doorgevoerd.

In het regeerakkoord werd aangekondigd dat het huidige transfer pricing-regime zou worden vereenvoudigd, met bijzondere aandacht voor de documentatieverplichtingen voor kmo’s. Vandaag zijn deze kmo’s echter al vrijgesteld van het opstellen en publiceren van dergelijke transfer pricing-documentatie, waardoor onduidelijkheid ontstaat over de concrete impact van deze aangekondigde vereenvoudiging.

Tot op heden bevat de ontwerp-programmawet hierover geen verdere verduidelijking. Het is daardoor momenteel niet duidelijk of de regering van plan is om bepaalde kmo’s toch verplichtingen inzake transfer pricing-documentatie op te leggen, eventueel in een aangepaste of beperkte vorm, dan wel dat het bestaande regime behouden blijft. De precieze draagwijdte en praktische gevolgen voor kmo’s blijven hierdoor onzeker, waardoor het wachten blijft op verdere details van de overheid.

In het regeerakkoord werd aangekondigd dat de federale regering strenger wil optreden tegen het gebruik van managementvennootschappen. Momenteel genieten dergelijke vennootschappen immers van een fiscaal gunstig tarief van 20% op de eerste schijf van 100.000 euro, mits de bedrijfsleider zichzelf minstens 45.000 euro bruto loon per jaar uitkeert.

Om dit gebruik te beperken, stelt het regeerakkoord voor om het minimumloon dat aan de bedrijfsleider moet worden uitgekeerd, op te trekken van 45.000 naar 50.000 euro. Bovendien wordt voorgesteld om dit bedrag te indexeren, wat betekent dat het minimumloon in de toekomst verder kan stijgen. Deze hervorming moet voorkomen dat werknemers een managementvennootschap enkel gebruiken om minder belastingen te betalen, zonder dat er sprake is van substantiële bedrijfsvoering binnen die vennootschap.

Een ander maatregel in het regeerakkoord bepaalt dat de bedrijfsleidersbezoldiging voortaan voor maximaal 20% van het jaarlijkse brutoloon uit voordelen alle aard (VAA) mag bestaan. Dit betekent dat ondernemers die zichzelf grotendeels vergoeden via voordelen zoals het ter beschikking stellen van een woning, een wagen of andere voordelen hier rekening mee moeten houden bij hun loonstructuur. De vraag rijst echter wat de sanctie is van het niet-vervullen van deze maatregel. Betekent het dat bepaalde gunstige regimes (zoals het verlaag vennootschapsbelastingtarief voor kmo’s) niet van toepassing kunnen zijn als de bedrijfsleider zich het minimumloon uitkeert doch nalaat om zich te houden aan de 20% limiet voor VAA? Of komt er een andere sanctie? 

Ondanks deze intenties is er opvallend genoeg in de huidige ontwerp-programmawet niets terug te vinden over deze aangekondigde maatregelen.

Het VVPRbis-stelsel en de liquidatiereserve worden grotendeels op elkaar afgestemd in de ontwerp-programmawet. Een eerste belangrijke wijziging betreft de verkorting van de minimale houdtermijn van liquidatiereserves van vijf naar drie jaar. Concreet betekent dit dat reserves die vanaf 1 januari 2026 worden aangelegd, reeds na drie jaar kunnen worden uitgekeerd aan een tarief van 6,5% roerende voorheffingen, tegenover het eerdere tarief van 5% na vijf jaar. Rekening houdend met de afzonderlijke bijdrage van 10% die wordt geheven op het netto bedrag van de winst na belasting bij de aanleg van deze reserves, leidt dit tot een totaal effectief belastingtarief van precies 15% (in plaats van 13,64% zoals voorheen).

Daarnaast voorziet de wetgever in een overgangsregeling voor liquidatiereserves die vóór 1 januari 2026 werden aangelegd. Vennootschappen die dergelijke reserves hebben opgebouwd, krijgen voortaan de mogelijkheid om deze na drie jaar uit te keren aan een licht verhoogd tarief van 6,5%, in plaats van nog vijf jaar te moeten wachten om het tarief van 5% toe te passen. Hiermee wordt voorkomen dat bedrijven nadeel zouden ondervinden van de gewijzigde regelgeving.

Wie binnen de 3 jaar na aanleg een uitkering doet, blijft echter onderworpen aan het reguliere tarief van 30% roerende voorheffing.

Binnen de regering zijn er zelfs stemmen om reeds vanaf 1 juli ondernemingen de optie aan te bieden om de dividenden na drie jaar uit te keren tegen 6,5%, in plaats van vijf jaar te moeten wachten om het tarief van 5% toe te passen.

Bovenstaande maatregelen betekent dat ondernemers minder lang moeten wachten om hun geld uit hun vennootschap te halen, maar dat dit wel gepaard gaat met een lichte verhoging van de fiscale kost. In de praktijk brengt dit de regeling dichter bij het VVPR-bis-stelsel, waar reeds een tarief van 15% RV geldt.

Ook voor het VVPR-bis-systeem worden de vervroegde uitkeringen trouwens belast aan 30% RV, net zoals bij de liquidatiereserve. Het verlaagd tarief van 20% roerende voorheffing in het VVPR-bis-systeem zal enkel nog gelden voor inbrengen die uiterlijk op 31 december 2025 plaatsvinden.

Een ander belangrijk onderscheid is dat VVPRbis bij een overdracht van aandelen volledig vervalt, terwijl een aangelegde liquidatiereserve wél behouden blijft, ook wanneer de aandelen worden overgedragen. Dit kan een belangrijke factor zijn in de keuze tussen beide stelsels. Anderzijds blijft VVPRbis wel bestaan als de vennootschap op termijn zou uitgroeien tot een ‘grote’ vennootschap, terwijl de mogelijkheid om een liquidatiereserve aan te leggen enkel openstaat voor kmo’s.
 

De ontwerp-programmawet streeft ernaar om België opnieuw aantrekkelijk te maken voor internationale talenten.

België kent reeds een expat-regeling waarbij bepaalde buitenlandse werknemers en bedrijfsleiders belastingvrij een deel van hun bezoldiging kunnen ontvangen. Dit systeem wordt nu verder versoepeld:

  • De belastingvrije vergoeding wordt verhoogd van 30% naar 35%, waardoor expats netto meer overhouden.
  • Het plafond van 90.000 euro verdwijnt, wat voordelig is voor expats met hogere lonen. Dit maakt België aantrekkelijker voor multinationals die sleutelprofielen willen aantrekken.
  • De minimale bruto bezoldiging wordt verlaagd van 75.000 naar 70.000 euro, waardoor het regime toegankelijker wordt voor een bredere groep internationale professionals.

Het huidige groepsbijdragestelsel (ingevoerd in 2019) laat toe dat vennootschappen binnen een groep verliezen (van het huidig jaar) fiscaal compenseren met winsten van een andere vennootschap binnen dezelfde groep. Dit systeem wordt nu lichtjes aangepast in de ontwerp-programmawet.

De DBI-aftrek van het lopende jaar kan voortaan toegepast worden op het gedeelte van de groepsbijdrage (zoals bedoeld in artikel 185, § 4, eerste lid WIB 92) dat groter is dan het negatieve resultaat vóór opname van de groepsbijdrage in de belastbare grondslag. Deze wijziging volgt op een recent arrest van het Europese Hof van Justitie, dat de huidige bepaling strijdig achtte met het Europees recht.

In het regeerakkoord werden ook de enkele andere elementen voorgesteld, die helaas niet meer opgenomen zijn in de ontwerp-programmawet. Zo had men voorgesteld om zowel rechtstreekse als onrechtstreekse participaties toe te laten in de context van het groepsbijdragestelsel. Ook werd er op een gegeven moment gesproken over het afschaffen van de minimumtermijn van vijf jaar voor nieuwe vennootschappen. Deze elementen werden helaas niet meer opgenomen in de ontwerp-programmawet. Dit betekent dat het groepsbijdragestelsel voorlopig nog niet breder en flexibeler wordt voor bijvoorbeeld startende ondernemingen binnen een groep. 

Het regeerakkoord stelt expliciet dat de federale regering de gewesten zal ondersteunen in hun strijd tegen zogenaamde share deals met betrekking tot vastgoedvennootschappen. Bij dergelijke transacties wordt vastgoed indirect verkocht via de verkoop van aandelen in een vennootschap die het vastgoed bezit, waardoor geen verkooprechten verschuldigd zijn. Dit ligt in contrast met de rechtstreekse verkoop van vastgoed, waarbij in principe registratierechten van bv. 12% in Vlaanderen van toepassing zijn.

Het regeerakkoord vertrekt precies vanuit het idee dat share deals een vorm van belastingontwijking zijn, maar deze visie is voor discussie vatbaar. Er zijn vele legitieme economische en financiële redenen waarom investeerders of vastgoedbedrijven kiezen voor een aandelentransactie in plaats van een rechtstreekse vastgoedverkoop. Zo kan het behoud van bestaande financieringsstructuren of lopende huurcontracten een belangrijke reden zijn om te kiezen voor een share deal. 

Indien er sprake is van loutere fiscale constructies zonder economische realiteit, kan de fiscus trouwens nu al ingrijpen via bestaande anti-misbruikbepalingen. De vraag blijft hoe ver de regering zal gaan in haar strijd tegen share deals. Wordt er gewerkt aan nieuwe wetgeving die bepaalde transacties automatisch belast of zal men de bestaande controlemechanismen aanscherpen? Daarnaast is er de praktische uitdaging: hoe bepaal je objectief of een verkoop van aandelen louter een fiscale constructie is, en hoe vermijd je fiscale onzekerheid voor bonafide investeerders? 

Voor de volledigheid wijzen wij erop dat dit aspect momenteel niet is opgenomen in het ontwerp van de programmawet.

De investeringsaftrek wordt volgens de ontwerp-programmawet vooreerst onbeperkt overdraagbaar gemaakt. Ook worden de tarieven m.b.t. de thematische investeringsaftrek van 30% voor grote vennootschappen en 40% voor kleine vennootschappen geharmoniseerd naar 40%. Verder verduidelijkt men dat de cumulverbod van de investeringsaftrek met het belastingkrediet onderzoek en ontwikkeling beperkt is tot de zgn. technologieaftrek. 

In het regeerakkoord worden tevens onderstaande maatregelen voorgesteld. Deze zijn echter voorlopig nog niet opgenomen in de ontwerp-programmawet.

  • De federale regering stelde voor om de gewestelijke attestvereiste voor investeringen in Onderzoek & Ontwikkeling (O&O) voor de toepassing van de investeringsaftrek af te schaffen. De afschaffing van deze administratieve stap zou de procedure sterk vereenvoudigen.
  • Daarnaast voorziet het regeerakkoord in een convenant tussen de federale O&O-administratie en de belastingadministratie. Dit zou een betere samenwerking en informatie-uitwisseling mogelijk maken, zodat ondernemingen sneller duidelijkheid krijgen over hun fiscale behandeling. Momenteel komt het voor dat de fiscus een andere interpretatie hanteert dan de bevoegde federale O&O-instanties, wat voor rechtsonzekerheid zorgt. Een nauwere samenwerking zou de kans op betwistingen en controles verminderen en het vertrouwen van bedrijven in de fiscale stimulansen voor innovatie versterken.
  • Een bijkomende maatregel is de mogelijkheid voor ondernemingen om zich officieel te laten erkennen als onderzoekscentrum. Dit model sluit aan bij systemen waar bedrijven een meer voorspelbaar en consistent fiscaal beleid genieten wanneer ze investeren in onderzoek en ontwikkeling.
  • De regering plant in het  regeerakkoord een verduidelijking van de bestaande regeling inzake de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing (BV-vrijstelling) voor O&O-medewerkers. Het doel is om de rechtszekerheid, efficiëntie en budgettaire controle te versterken en zo een stabiel kader te creëren voor zowel bedrijven als kennisinstellingen. 
  • Daarnaast wordt het toepassingsgebied van de gedeeltelijke vrijstelling in het regeerakkoord herzien voor onderzoek uitgevoerd door universiteiten, hogescholen, universitaire ziekenhuizen en fondsen voor wetenschappelijk onderzoek. Deze hervorming zal zorgen voor meer duidelijkheid over de reikwijdte en toepassingsvoorwaarden van de maatregel, waardoor misverstanden en onzekerheden in de praktijk worden verminderd.

De regering wenst verdere aanpassingen aan te brengen aan de autofiscaliteit om het Belgische wagenpark versneld te vergroenen, in lijn met de Europese milieudoelstellingen. De huidige regelgeving bepaalt dat voor auto’s aangeschaft vanaf 1 januari 2026 alleen deze zonder CO2-uitstoot (m.n. de volledig elektrisch aangedreven auto’s) nog fiscaal aftrekbaar zijn. In de praktijk blijkt echter dat volledige elektrificatie nog niet voor iedereen haalbaar is. Zo kampen werkgevers vaak met beperkingen rond laadmogelijkheden en zijn elektrische voertuigen niet altijd praktisch voor werknemers met intensief dagelijks gebruik.

Om tegemoet te komen aan deze praktische bezwaren, stelt de regering voor om hybride voertuigen opnieuw tijdelijk een gunstigere fiscale behandeling te geven. Concreet zou voor hybride voertuigen gekocht, geleased of gehuurd tot eind 2027 de fiscale aftrekbaarheid nog steeds bepaald worden volgens de zogenaamde gramformule, weliswaar met een maximum van 75%. Vanaf 2028 tot eind 2029 zou deze maximale aftrekbaarheid stapsgewijs worden verminderd. 

Daarnaast wordt voorzien dat voor hybride voertuigen met een uitstoot van minder dan 50 gram CO2 per kilometer en gekocht vóór 1 januari 2028, een hoger aftrekpercentage mogelijk blijft indien dit uit de formule voortkomt. Wel wordt dit in 2027 beperkt tot 95%, overeenstemmend met volledig emissieloze voertuigen. Verder zouden benzine- of dieselkosten voor hybride voertuigen aftrekbaar blijven tegen 50% tot eind 2027, maar zouden deze vanaf 2028 niet meer aftrekbaar zijn. Elektriciteitskosten voor hybride voertuigen zouden gelijkgesteld blijven aan de aftrekbaarheid voor volledig elektrische voertuigen, wat het gebruik van elektriciteit moet stimuleren.

Ook zou de administratieve complexiteit worden verminderd door afschaffing van de brandstoftype-coëfficiënt in de formule. Momenteel wordt al naargelang het type brandstof een coëfficiënt van 0,95 of 1 gebruikt. De impact op de aftrekbaarheid zal beperkt zijn.

Belangrijk is tevens dat de antimisbruikregeling voor zogenaamde 'valse hybriden' wordt afgeschaft vanaf 1 januari 2026. Dit volgt uit de invoering van strengere Europese normen (Euro 6e-bis), die een realistischer beeld geven van de CO2-uitstoot door middel van tests in reële rijomstandigheden (Real Driving Emissions of RDE-tests). Hierdoor wordt een specifieke regeling voor valse hybriden overbodig en administratief eenvoudiger.

Tot slot wordt ook voorzien in een geleidelijke vermindering van de fiscale aftrekbaarheid voor oudere voertuigen (aangekocht vóór 1 januari 2018). Vanaf aanslagjaar 2027 zal de minimale aftrekbaarheid jaarlijks met 5% afnemen, tot een minimum van 50% in aanslagjaar 2031.

De federale regering heeft aangekondigd dat er uiterlijk in 2027 een digitaks zal worden ingevoerd, in lijn met internationale ontwikkelingen. Dit belastingregime is gericht op grote digitale multinationals die in België aanzienlijke inkomsten genereren zonder een fysieke aanwezigheid te hebben.

De digitaks is een belasting op de omzet die digitale bedrijven genereren via online diensten en platformen in België, zonder dat ze hier een vaste inrichting hebben. Dit type belasting is bedoeld om de ongelijke belastingdruk tussen traditionele ondernemingen met een fysieke aanwezigheid en digitale spelers die hun activiteiten grotendeels online uitvoeren, te corrigeren.

Momenteel betalen veel grote techbedrijven, zoals Google, Facebook en Amazon, relatief weinig belastingen in België omdat hun winsten worden geboekt in landen met een gunstig fiscaal regime. De Belgische regering wil, in navolging van de OECD- en EU-discussies over digitale belastingen, voorkomen dat de belastinggrondslag verder uitholt en ervoor zorgen dat deze bedrijven een eerlijke bijdrage leveren.

Er zijn aldus twee mogelijke scenario’s:

  1. Internationale Digitaks (via de EU of OECD)
    • België wacht in eerste instantie op een internationaal akkoord binnen de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD) of op een Europees initiatief.
    • De EU had al eerder plannen voor een digitale belasting, maar deze werden on hold gezet in afwachting van een bredere internationale regeling.
    • Indien er op internationaal niveau een overeenkomst wordt bereikt, zal België zich aansluiten bij dit gemeenschappelijk kader.
  2. Unilaterale Belgische Digitaks vanaf 2027
    • Indien er tegen 2027 geen internationale regeling is uitgewerkt, zal België zelfstandig een nationale digitaks invoeren.
    • Dit zou betekenen dat digitale multinationals een Belgische belasting moeten betalen op de inkomsten die ze hier genereren via advertenties, digitale marktplaatsen en andere online activiteiten.
    • Dit kan leiden tot conflicten met andere landen, aangezien unilaterale digitaksen vaak aanleiding geven tot handelsgeschillen. 

PROCEDUREEL

De regering stelt in de ontwerp-programmawet voor om de huidige aanslag- en onderzoektermijnen in de inkomstenbelastingen aan te passen en te vereenvoudigen.

De onderzoeks- en aanslagtermijnen, die in de vorige legislatuur in veel gevallen werden verlengd tot 6 en 10 jaar, worden opnieuw ingekort:

  • Standaardtermijn: 3 jaar.
  • Complexe en semi-complexe aangiftes: beperkt tot 4 jaar (in plaats van 6 en 10 jaar). Concreet worden de huidige begrippen van 'semi-complexe' en 'complexe aangiften' samengevoegd onder één vereenvoudigde definitie.
  • Fraudedossiers: inkorting van 10 jaar naar 7 jaar.

Er wordt een retroactief gevolg aan deze nieuwe termijnen gegeven vanaf aanslagjaar 2023. 

Dit is een welkome correctie, aangezien de verlengde termijnen in sommige gevallen disproportioneel waren en de rechtszekerheid ondermijnden. Door de inkorting wordt de belastingplichtige sneller duidelijkheid geboden, wat essentieel is voor de stabiliteit van bedrijven en investeerders.

Wel blijft de fiscale bewaarplicht van 10 jaar behouden, wat betekent dat belastingplichtigen nog steeds verplicht zijn om hun boekhouding en relevante documenten gedurende een decennium te bewaren. 

In het kader van een administratieve vereenvoudiging en met oog op rechtszekerheid voor belastingplichtigen, wenst de regering duidelijker te regelen wanneer belastingverhogingen kunnen worden toegepast bij fiscale overtredingen.

Volgens de nieuwe regeling in de programmawet wordt de mogelijkheid voor de belastingadministratie om belastingverhogingen achterwege te laten bij afwezigheid van kwade trouw geschrapt en vervangen door een expliciete regeling. Concreet wordt voorzien dat wanneer een belastingplichtige voor het eerst een overtreding begaat en daarbij te goeder trouw handelt, er automatisch geen belastingverhoging zal worden opgelegd.

Deze regeling maakt duidelijk dat de belastingplichtige bij een eerste, niet-opzettelijke overtreding beschermd wordt tegen sancties. Het begrip “te goeder trouw” impliceert hier dat er geen sprake mag zijn van kwaadwilligheid of belastingontwijkingsintentie. De administratie kan echter nog steeds optreden indien zij kan aantonen dat de belastingplichtige wel degelijk kwade trouw vertoonde of handelde met de bedoeling belastingen te ontduiken.

Indien dezelfde belastingplichtige binnen een periode van drie jaar na de eerste overtreding opnieuw een fiscale overtreding begaat, zal deze tweede overtreding wél aanleiding geven tot een belastingverhoging zoals voorzien voor een herhaalde overtreding.

Omwille van de transparantie en rechtszekerheid zal het KB/WIB 92 op dit punt worden aangepast en geactualiseerd.

De regering zet verder in op datamining en risicodetectie binnen de fiscale administratie, met het oog op efficiëntere en gerichte fiscale controles. Hiervoor wordt in de ontwerp-programmawet voorzien dat bepaalde ambtenaren van de FOD Financiën toegang krijgen tot het Centraal Aanspreekpunt (CAP) van de Nationale Bank van België.

Dit betekent concreet dat de informatie over effectenrekeningen, inclusief openings- en sluitingsdata en periodieke saldo-informatie, toegankelijk wordt voor specifieke controledoeleinden, waaronder de toepassing en controle van de jaarlijkse taks op effectenrekeningen. Zo volgt men een aanbeveling van het Rekenhof en het federale regeerakkoord om fiscale ontwijking van de effectentaks beter aan te pakken.

Daarnaast wordt een wettelijk kader gecreëerd waardoor geselecteerde ambtenaren (zogenaamde ‘dataminers’) gepseudonimiseerde gegevens uit het CAP rechtstreeks kunnen raadplegen. Dit stelt hen in staat risicoprofielen te ontwikkelen en potentiële fiscale fraude beter te identificeren. Belangrijk hierbij is dat gegevens pas kunnen worden gedepseudonimiseerd als er een concreet risico bestaat op fiscale fraude of een overtreding van de fiscale regelgeving. Elke dataverwerking gebeurt onder toezicht van de dienst Informatieveiligheid en Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer van de FOD Financiën en na opmaak van een gedetailleerde fiche omtrent data en toegangsbeheer.

Hoewel deze uitgebreide toegang tot gegevens de efficiëntie van fiscale controles verhoogt, roept het ook vragen op rond gegevensbescherming en privacy, wat door de overheid strikt gereguleerd en bewaakt zal worden.

In het regeerakkoord werd voorgesteld dat belastingplichtigen die een fiscale visitatie of controle verhinderen of bemoeilijken, een minimale belastbare winst opgelegd kunnen krijgen. Dit zou in de plaats komen van het huidige systeem waarbij een dwangsom slechts na tussenkomst van een rechter kan worden opgelegd.

Uit de ontwerp-programmawet blijkt nu echter dat deze maatregel (nog) niet concreet werd opgenomen. De invoering van een dergelijke minimale belastbare winst zou immers een ingrijpende verandering betekenen, aangezien de belastingadministratie dan eenzijdig, zonder tussenkomst van een rechter, een forfaitaire winst zou kunnen vaststellen. Dit zou bijgevolg een aanzienlijke verschuiving van rechtsmacht betekenen, waardoor het risico op rechtszekerheidsproblemen en geschillen mogelijk zou toenemen.

Momenteel blijft het bestaande systeem, waarbij de rechter een dwangsom kan opleggen indien een belastingplichtige onvoldoende medewerking verleent tijdens een fiscale controle, dus ongewijzigd bestaan. Het is nog onduidelijk of en wanneer de maatregel uit het regeerakkoord alsnog wordt uitgewerkt.

In het regeerakkoord kondigde de regering aan werk te maken van een nieuw charter voor belastingplichtigen. Dit charter heeft tot doel om het vertrouwen tussen de belastingplichtigen en de fiscale administratie te versterken door meer transparantie en rechtszekerheid te bieden.

Daarnaast werden twee fundamentele rechtsbeginselen voorgesteld voor wettelijke verankering:

  • Het vertrouwensbeginsel: belastingplichtigen kunnen niet gesanctioneerd worden voor een praktijk die eerder werd gecontroleerd en goedgekeurd door de fiscus, zolang de wetgeving niet is gewijzigd. Dit zorgt voor meer stabiliteit en bescherming tegen fiscale verrassingen bij controles.
  • De antigoondoctrine: bewijsmateriaal dat op onrechtmatige wijze werd verkregen, mag niet worden gebruikt in fiscale procedures. Dit principe was al bevestigd door de rechtspraak, maar wordt nu expliciet in de wet opgenomen.

Deze bepalingen werden tot op heden echter nog niet opgenomen in het huidige ontwerp van de programmawet. Het blijft afwachten hoe en wanneer deze principes effectief een wettelijke vertaling zullen krijgen.

Er komt opnieuw een wettelijk kader om fiscaal niet-aangegeven inkomsten te regulariseren. De vierde regularisatieronde, beter bekend als “EBA-quater”, liep eind 2023 af. Sinds 1 januari 2024 bestond er geen mogelijkheid meer om fiscaal niet-aangegeven inkomsten te regulariseren. Met de voorgenomen invoering van een vijfde regularisatieronde wordt een einde gemaakt aan dit juridisch vacuüm, wat alleen maar kan worden toegejuicht, mede gezien de toenemende controles van banken en de strengere antiwitwaswetgeving.

De contouren van de nieuwe regularisatieronde liggen in lijn met deze van de vorige regularisatieronde. Net zoals voorheen moeten belastingplichtigen een dossier indienen bij het Contactpunt Regularisaties waarbij onder andere een gedetailleerde toelichting moet worden gegeven over de herkomst en de omvang van de te regulariseren inkomsten, kapitalen en BTW-verrichtingen, alsook een overzicht van de gebruikte financiële rekeningen. Eens het dossier finaal is, wordt door het Contactpunt een berekening gemaakt van de verschuldigde heffing. Dit bedrag moet binnen 15 dagen na ontvangst van de berekening worden betaald. Vervolgens wordt een regularisatieattest afgeleverd.

De tarieven liggen wel iets hoger dan de vorige regularisatieronde. Zo zal een uniforme forfaitaire heffing van 45% (i.p.v. 40%) moeten worden betaald bij de regularisatie van fiscaal verjaarde kapitalen. Voor wie fiscaal niet-verjaarde inkomsten wil regulariseren dient een boete van 30% (i.p.v. 25%) te worden betaald, bovenop de belasting die normaal verschuldigd zou zijn geweest indien de inkomsten correct werden aangegeven.

Belangrijk is dat er wordt voorzien in lagere tarieven voor belastingplichtigen die te goeder trouw zijn. Concreet gaat het erfgenamen en “rechtverkrijgenden” die fiscaal niet-aangegeven gelden hebben geërfd of op enige andere manier hebben verkregen in hun hoedanigheid van rechtsopvolger. Deze belastingplichtigen genieten van een vermindering van 5 percentpunten van de boete. 

INDIVIDUEN

In het regeerakkoord was voorzien om een nieuwe ondernemersaftrek in te voeren, specifiek bedoeld om zelfstandigen fiscaal te ondersteunen. Deze maatregel zou de belastingdruk voor zelfstandigen verlichten en zo ondernemerschap stimuleren.

De ontwerp-programmawet voorziet echter voorlopig niet in de invoering van deze ondernemersaftrek. Daardoor blijft het op dit moment onzeker wanneer en in welke vorm deze maatregel alsnog zal worden geïmplementeerd. De precieze modaliteiten, zoals het bedrag van de aftrek en verdere toepassingsvoorwaarden, blijven dus vooralsnog onbekend. Dit leidt tot onzekerheid voor zelfstandigen die gehoopt hadden op dit bijkomende fiscale voordeel.

Het huwelijksquotiënt is een fiscaal voordeel dat kan worden toegekend tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden. Dit mechanisme zorgt ervoor dat tot 30% van de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het hoogste inkomen fiscaal kan worden overgeheveld naar de echtgenoot met weinig of geen beroepsinkomsten (met bepaalde beperkingen). 

Aangezien België een progressief belastingstelsel hanteert, biedt het huwelijksquotiënt een aanzienlijk belastingvoordeel. Het verlaagt het belastingtarief voor de echtgenoot met de hoogste inkomens, terwijl het overgedragen inkomen bij de echtgenoot met een lager of geen inkomen ook in een lagere belastingschijf wordt belast. Dit zorgt voor een totale belastingverlaging binnen het gezin. Als de toepassing van het huwelijksquotiënt omwille van specifieke omstandigheden nadelig zou uitvallen, wordt het echter niet toegepast. 

Het regeerakkoord voorzag in een aanpassing van dit huwelijksquotiënt. De regering beschouwt dit als een potentiële rem op de arbeidsdeelname van de partner met het laagste inkomen, aangezien bijkomende arbeid door die partner vaak fiscaal minder interessant wordt.

Ondanks deze intentie uit het regeerakkoord om het huwelijksquotiënt voor niet-actieve partners te herzien, werd hierover in het huidige ontwerp van de programmawet voorlopig niets opgenomen. Het blijft dus voorlopig afwachten of en hoe deze hervorming later alsnog wordt doorgevoerd.

De federale intrestaftrek op tweede verblijven wordt uitgedoofd.

In de voorgestelde programmawet bevestigt de regering dat de gewone federale intrestaftrek voor leningen aangegaan voor een woning die niet de eigen woning is, wordt afgeschaft vanaf aanslagjaar 2026. Dit betekent concreet dat eigenaren van een tweede verblijf vanaf inkomstenjaar 2025 niet langer een fiscaal voordeel zullen genieten op de interesten betaald op dergelijke leningen.

In het regeerakkoord werd aangekondigd dat het fiscaal gunstige regime voor auteursrechten opnieuw uitgebreid zou worden. Dit is opvallend, aangezien het regime voor auteursrechten nog recent (in 2023) aanzienlijk werd ingeperkt vanwege misbruiken en oplopende begrotingstekorten. Vooral het gebruik van auteursrechten als alternatieve loonoptimalisatie stond hierbij ter discussie. De eerdere aanpassingen zorgden bovendien voor aanzienlijke onduidelijkheid over de precieze draagwijdte van het regime

Hoewel het regeerakkoord voorziet om computerprogramma’s en software expliciet te erkennen als auteursrechtelijk beschermde werken, bevat het huidige ontwerp van de programmawet hier voorlopig nog geen verdere details over. Het blijft bijgevolg afwachten hoe de aangekondigde uitbreiding van het auteursrechtenregime concreet vorm zal krijgen.

Het regeerakkoord voorziet in een aantal maatregelen om het nettoloon van werknemers te verhogen, waaronder een verhoging van de belastingvrije som. Ook werd aangekondigd dat de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid (BBSZ), een bijkomende parafiscale heffing die verschuldigd is door werknemers en zelfstandigen bovenop de normale sociale bijdragen, herbekeken zou worden. Daarnaast stelde men ook een hervorming van de bijzondere bijdrage sociale zekerheid in het vooruitzicht. Waar het regeerakkoord expliciet deze intenties formuleerde, valt het op dat het huidige ontwerp van de programmawet nog geen concrete bepalingen bevat over de verhoging van de belastingvrije som, noch over de hervorming van de bijzondere bijdrage sociale zekerheid. Ook de aangekondigde versterking van de sociale werkbonus, die nettoverhogingen voorziet voor lage lonen zonder stijgende loonkosten, ontbreekt momenteel nog in de ontwerp-programmawet.

Het blijft voorlopig dus wachten op verdere concretisering in toekomstige wetsvoorstellen.

Het systeem van flexi-jobs biedt personen de mogelijkheid om op een eenvoudige en flexibele manier iets bij te verdienen, bovenop hun gewone beroepsinkomen of pensioenuitkering. Momenteel geldt voor niet-gepensioneerde flexi-jobbers een jaarlijkse belastingvrijstelling van 12.000 euro, terwijl gepensioneerden onbeperkt belastingvrij kunnen bijverdienen via een flexi-job.

Volgens het nieuwe wetsontwerp wordt voorgesteld om vanaf inkomstenjaar 2025 de belastingvrijstelling voor niet-gepensioneerde flexi-jobwerkers te verhogen naar 18.000 euro, met een jaarlijkse indexatie. Hierdoor wil de regering inspelen op de groeiende vraag naar flexibiliteit op de arbeidsmarkt en tegelijk extra netto-inkomen mogelijk maken voor een grotere groep werknemers.

Onderhoudsuitkeringen zijn momenteel in principe onbeperkt voor 80% aftrekbaar van het totale netto-inkomen van de onderhoudsplichtige. Dit leidt in de praktijk tot een fiscaal voordeel dat, afhankelijk van het marginale belastingtarief en gemeentelijke opcentiemen, kan oplopen tot meer dan 40% van de betaalde onderhoudsuitkeringen. Bij de ontvanger van de uitkeringen zijn deze bedragen in principe belastbaar voor 80%, hoewel kinderen die dergelijke uitkeringen ontvangen vaak feitelijk geen belasting betalen door de belastingvrije som.

De huidige regeling wordt door de regering echter als ongelijk en niet neutraal beschouwd ten aanzien van samenwonende ouders die geen vergelijkbaar fiscaal voordeel kunnen genieten voor de kosten van hun kinderen.

Daarnaast heeft de Hoge Raad van Financiën meermaals gewezen op het fundamenteel asymmetrische karakter van het systeem: terwijl de aftrek voor de onderhoudsplichtige effectief is, blijkt de belastingheffing bij de ontvanger vaak theoretisch en daardoor verwaarloosbaar.

Als gevolg hiervan stelt de regering in haar ontwerpwet voor om de aftrekbaarheid van onderhoudsuitkeringen stapsgewijs af te bouwen:

  • Vanaf 1 januari 2026 wordt de aftrekbaarheid verminderd van 80% naar 70%.
  • Vanaf 1 januari 2027 wordt dit verder teruggebracht naar 60%.
  • Vanaf 1 januari 2028 zal slechts 50% aftrekbaar zijn.

Parallel hiermee wordt ook het belastbare gedeelte bij de ontvanger overeenkomstig verminderd, wat een symmetrische fiscale behandeling garandeert.

Zelfstandigen spelen een cruciale rol in onze economie. Zij nemen risico’s, creëren waarde en zijn de motor van lokale werkgelegenheid. Een van de maatregelen die de regering neemt om zelfstandigen extra te ondersteunen, is de significante verhoging van het bestaande belastingkrediet voor ondernemers met een eenmanszaak die hun eigen middelen verhogen.

Het belastingkrediet wordt berekend op basis van de aangroei van het eigen vermogen ten opzichte van het hoogste bedrag aan eigen middelen aan het einde van een van de drie voorgaande belastbare tijdperken. Dit krediet wordt verrekend met de verschuldigde personenbelasting, waarbij het eventuele saldo terugbetaalbaar is.

In de nieuwe ontwerp-programmawet stelt de regering voor om zowel het tarief als het maximumbedrag van dit belastingkrediet te verdubbelen. Concreet betekent dit dat het tarief stijgt van 10% naar 20%, en dat het maximumbedrag van het krediet wordt verhoogd van € 3.750 naar € 7.500. Hiermee wil de regering zelfstandigen bijkomend stimuleren om hun eigen vermogen te versterken, wat hun financiële draagkracht ten goede komt.

De regering wenst werken bij studenten sterker te stimuleren en tegelijkertijd bepaalde fiscale valkuilen weg te werken. Vandaag lopen studenten die net boven de bestaande inkomensgrenzen verdienen, het risico niet meer als fiscaal ten laste van hun ouders beschouwd te worden. Hierdoor moeten zowel de studenten als hun ouders meer belastingen betalen en gaan belangrijke fiscale voordelen verloren.

Om hieraan tegemoet te komen, wordt in de ontwerp-programmawet voorgesteld om het plafond van eigen bestaansmiddelen aanzienlijk te verhogen. Waar vandaag nog gedifferentieerde plafonds gelden afhankelijk van de gezinssituatie, stelt de regering voor om dit plafond gelijk te trekken voor alle kinderen. Concreet betekent dit dat vanaf aanslagjaar 2026 elk kind een geïndexeerd maximum van € 12.000 (basisbedrag € 5.265) aan eigen bestaansmiddelen mag verwerven zonder het risico te lopen de fiscale status als kind ten laste te verliezen. Deze maatregel leidt eveneens tot een meer gelijke fiscale behandeling van ouders, ongeacht hun samenlevingsvorm.

Daarnaast wil de regering studentenarbeid verder stimuleren door het bedrag aan inkomsten uit studentenarbeid dat niet meetelt als bestaansmiddel, te verdubbelen. Hierdoor kunnen studenten vanaf aanslagjaar 2026 tot maximaal € 6.840 (basisbedrag € 3.000) verdienen zonder dat deze inkomsten meetellen in het plafond van eigen bestaansmiddelen.

Ook wordt voorgesteld om een aantal specifieke scheeftrekkingen aan te pakken. Zo zullen personen die een leefloon of een equivalent daarvan ontvangen, niet langer als fiscaal ten laste kunnen worden beschouwd. Hiermee wil de regering vermijden dat er een dubbel voordeel ontstaat waarbij iemand zowel sociale steun geniet als fiscaal als persoon ten laste wordt opgenomen.

Tot slot worden ook studiebeurzen voortaan als bestaansmiddel beschouwd, in tegenstelling tot de huidige regeling waarbij zij uitgesloten worden.

De Belgische personenbelasting wordt vaak als complex ervaren, mede door het grote aantal uitzonderingsregimes, vrijstellingen en belastingverminderingen. De Hoge Raad van Financiën heeft al eerder gewezen op deze problematiek in zijn advies van mei 2020 en zijn rapport van juli 2021, waarin werd aangestipt dat bepaalde uitzonderingsregimes bovendien misbruikgevoelig zijn. De regering stelt daarom via de ontwerp-programmawet een reeks maatregelen voor om de belastingaangifte te vereenvoudigen. Dit initiatief zorgt niet alleen voor minder administratieve last, maar dient ook als gedeeltelijke budgettaire compensatie voor de financiering van de voorziene lastenverlaging op arbeid.

Concreet worden volgende fiscale voordelen opgeheven:

  • De vrijstelling voor de tussenkomst van de werkgever bij de aankoop van een computer (PC-privé) verdwijnt vanaf tussenkomsten gedaan na 30 juni 2025.
  • Het bijkomend kostenforfait voor werknemers met verre verplaatsingen (meer dan 75 km tussen woonplaats en werk) wordt afgeschaft vanaf aanslagjaar 2026.
  • De economische vrijstellingen voor aanvullend personeel, stages in ondernemingen en bijkomend personeel worden vanaf aanslagjaar 2027 opgeheven, wat aansluit bij eerdere hervormingen in de vennootschapsbelasting.
  • Belastingverminderingen voor minderwaarden op private privaks, verwerving van elektrische voertuigen, bezoldigingen van huisbedienden, uitgaven in het kader van adoptieprocedures en investeringen in erkende ontwikkelingsfondsen worden afgeschaft vanaf aanslagjaar 2027. Voor de belastingvermindering van ontwikkelingsfondsen blijft een terugname mogelijk tot en met aanslagjaar 2031.
  • De belastingvermindering voor premies van rechtsbijstandsverzekeringen vervalt voor premies betaald vanaf 1 juli 2025.
  • Het percentage van de belastingvermindering voor giften wordt verlaagd van 45% naar 30% vanaf aanslagjaar 2026.
  • De vrijstelling van meerwaarden op bedrijfsvoertuigen wordt enkel nog toegestaan tot eind 2025.

De fiscale vrijstelling voor sociaal passief (eenheidsstatuut arbeiders-bedienden) wordt uitgefaseerd, waarbij vanaf 30 juni 2025 geen nieuwe vrijstellingen meer worden toegestaan. Bestaande vrijstellingen worden wel geleidelijk afgebouwd volgens de bestaande regels.

2. HR gerelateerd (sociaalrechtelijk)

De ambitie is om voor de laagste lonen ervoor te zorgen dat het altijd lonend is om te werken, eerder dan een uitkering te hebben. Het verschil dient telkens minstens €500 netto bedragen. 

Het principe van de automatische indexering van de lonen, waardoor de lonen meestijgen met de levensduurte, blijft behouden. Met het oog op een hervorming van het systeem van de automatische indexering worden de sociale partners gevraagd om tegen eind 2026 een advies uit te werken over dit thema, alsook over de loonnormwet (wet van 26 juli 1996). 

De hogere minimumlonen die reeds in het vorig interprofessioneel akkoord opgenomen waren, worden doorgevoerd. Het gewaarborgd minimumloon dat momenteel bepaald is op €2.070,48 voor alle sectoren, zou worden verhoogd evenwel zonder verhoging van de loonkost voor de werkgever. 

Daarnaast zou het plafond voor de waarde van één maaltijdcheque verhoogd worden van €8 naar €12, zou de maaltijdcheque als betaalmiddel ruimer kunnen ingezet worden. Om de meerkost voor de bedrijven te compenseren of milderen zou er sprake zijn van een ruimere fiscale aftrek. Andere cheques, zoals ecocheques, consumptiecheques, sport- en cultuurcheques, zouden daarnaast worden afgebouwd.

Het ontslagrecht wordt bijgesteld maar niet fundamenteel gewijzigd. Dit was immers in 2014 met het eenheidsstatuut toch al flink aangepast. Wat is er nu bijkomend voorzien: 

  • Met de invoering van het eenheidsstatuut in 2014 werd ook de proefperiode afgeschaft, deze zou nu worden heringevoerd om werkgever en werknemer toe te laten om de eerste 6 maanden met een korte opzeggingstermijn van één week afscheid te nemen van elkaar indien de samenwerking toch niet succesvol blijkt. Nu zijn de opzeggingstermijn weliswaar getrapt in functie van de anciënniteit maar vanaf een anciënniteit van 3 maanden overstijgt de opzeggingstermijn de minimale termijn van 1 week. 
  • Voor nieuwe aanwervingen zal de ontslagvergoeding maximum 52 weken bedragen. 
  • De ontslagvergoeding wordt verder hervormd om werknemers sneller terug aan de slag te krijgen na een ontslag. 
  • De bescherming voor personeelsafgevaardigden (wet van 19 maart 1991) blijft bestaan maar voor niet verkozen kandidaten (tweede kandidatuur) wordt de beschermingsperiode teruggebracht naar 6 maanden. 
  • Het aantal beschermingsvergoedingen die een werknemer kan claimen wordt herbekeken. 

Dit blijft op zich een beperkt hoofdstuk maar een paar hoofdlijnen: 

  • Stakingsrecht blijft behouden maar het herenakkoord tussen de sociale partners zouden zij moeten herbekijken. 
  • De regering vraagt de sociale partners om het aantal paritaire comités te verminderen. 
  • De juridische bescherming van vakbonden blijft voor hun syndicale activiteiten maar voor hun dienstverlening (advies en bijstand bij procedures) wordt er benadrukt dat zij moeten voldoen aan de gangbare regels inzake financiële transparantie en juridische aansprakelijkheid. 

De doelgroepvermindering voor eerste aanwervingen is een gedeeltelijke vrijstelling of vermindering van de werkgeversbijdrage aan de sociale zekerheid (RSZ) op het brutoloon dat wordt toegekend aan startende ondernemingen die hun eerste, tweede of derde medewerker aanwerven. De maatregel werd de laatste jaren al grotendeels beperkt. Een van de punten in het regeerakkoord is om de RSZ-korting verder te beperken tot €2.000 voor de eerste werknemer, maar nog steeds onbeperkt in de tijd. Voor de volgende 2 werknemers zou het nog gaan om een vermindering op de RSZ-bijdragen van €1.550 tot €450, weliswaar beperkt in de tijd te genieten, nl. voor 13 kwartalen. 

Er komt een familiekrediet om de verlofrechten voor ouders te vereenvoudigen en over de verschillende stelsels heen te harmoniseren. 

Er wordt bekeken om een stelsel van teleTREINwerk in te voeren waarbij werknemers die het openbaar vervoer gebruiken, de reistijd of een deel daarvan als gewerkte tijd kunnen aangeven. 

Het SWT (vroegere brugpensioen) wordt verder afgebouwd en zal enkel nog voor medisch SWT mogelijk zijn en voor de reeds opgestarte procedures van collectief ontslag of herstructurering. 

Landingsbaan voor 55+ blijft mogelijk maar enkel voor wie een loopbaan heeft van 30 jaar, hetgeen wordt verhoogd naar 35 jaar tegen 2030.

Het individueel opleidingsrecht dat werd ingevoerd door de arbeidsdeal blijft behouden, maar er wordt bekeken hoe de administratie errond kan verminderd worden. De “federal learning account” gaat op de schop. 

De Belgische reglementering rond arbeidsduur is bijzonder ingewikkeld. De strikte regels rond nachtarbeid, hebben ervoor gezocht dat de logistieke activiteiten voor de bomende e-commercesector vaak buiten België worden georganiseerd. Daarom wil de nieuwe regering de reglementering rond nachtarbeid minder streng maken. Het principieel verbod op nachtarbeid wordt afgeschaft en voor de distributiesector zou het tijdstip waarop er sprake is van “nacht” aanvangen om 24 uur in plaats van 20 uur. Hierdoor is er meer flexibiliteit mogelijk tot middernacht. 

De arbeidsduur zou ook voor alle sectoren en paritaire comités geannualiseerd worden (op jaarvlak bekeken) waardoor er in bepaalde periodes van het jaar meer en in andere minder kan gewerkt worden. 

De regelgeving over openingsuren wordt aangepast en de verplichte sluitingsdag zal verdwijnen. 

Bedrijven krijgen meer vrijheid om binnen de Europese regels in onderling akkoord de arbeidsuren te bepalen. 

De verplichtingen rond deeltijdse arbeid worden vereenvoudigd: 

  • De verplichting dat een deeltijdse job minstens 1/3° van een voltijdse moet bedragen, zal verdwijnen 
  • Indien de regels inzake flexibiliteit zijn opgenomen in het arbeidsreglement, moeten niet langer alle afwijkende uurroosters worden opgenomen worden

Er wordt werk gemaakt van soepeler mogelijkheden rond tijdelijke overgang naar andere werkgevers. 

Studenten zullen vanaf 15 jaar structureel 650 uren per jaar kunnen werken. 

Het inzetten van flexi-jobs wordt verder uitgebreid. Ze mogen tot €18.000 per jaar verdienen, waar geldend wordt het maximale uurloon opgetrokken van €17 naar €21. De sectoren zouden verder uitbreid worden, met mogelijkheid voor de sectoren om na overleg deze uitbreiding voor hun paritair comité niet toe te laten. Het verbod voor voltijdse werknemers om bij te klussen als flexi bij een verbonden onderneming wordt geschrapt. 

Daarnaast wordt het voordelig systeem van vrijwillige overuren dat vooral tijdens en sedert de COVID-pandemie vaak gebruikt wordt, fors uitgebreid naar 360 uren per jaar (en voor de horeca zelfs 450). Voor 240 van deze overuren is voorzien dat zij netto worden betaald, dus zonder belastingen of RSZ. Dit systeem heeft de bedoeling om de krapte op de arbeidsmarkt deels te verhelpen, door werkgevers de kans te geven om hun personeel meer te laten werken.

Daar waar de voorbije jaren de werkloosheid historisch laag ligt in België, pieken de cijfers van langdurig zieken. Op de activering van deze categorie werd tijdens de vorige regering al ingezet maar dat wordt nu nog verder uitgewerkt: 

  • Werkgevers, preventieadviseurs en ziekenfondsen worden aangemoedigd om zieke werknemers goed op te volgen en opties te bekijken om hen sneller terug aan de slag te laten gaan. 
  • De werkgevers moeten dan ook een actief verzuimbeleid voeren. 
  • Na 8 weken afwezigheid wegens ziekte wordt de reïntegratiemogelijkheden bekeken, eventueel ook bij andere werkgevers. 
  • Om de werkgevers te responsabiliseren moeten ze ook na de periode van gewaarborgd loon, gedurende 2 maanden een deel van de ziekte-uitkering (30%) financieren. Deze verplichting zou niet gelden voor kmo’s. 
  • Er was een heel getouwtrek rond de verplichting om voor één ziektedag ook een medisch attest af te leveren. Dit was principieel niet meer nodig voor 3 van dergelijke afwezigheden per jaar. Dit wordt nu teruggebracht naar 2 van dergelijke afwezigheden. 
  • Werknemers die na een ziekteperiode met gewaarborgd loon “hervallen” hebben pas na 8 weken werkhervatting terug recht op 30 dagen gewaarborgd loon. 

Het huidig stelsel van de werkloosheidsuitkeringen zou aanzienlijk worden gewijzigd. Zo zouden de werkloosheidsuitkeringen niet langer onbeperkt in de tijd worden toegekend. Hoe lang men dan wél recht heeft op een uitkering wordt afhankelijk van het aantal jaren dat men gewerkt heeft. Om recht te hebben op de maximale periode van uitkeringen, te weten 2 jaar, moet men 5 jaar gewerkt hebben. Voor werknemers boven de 55 zouden er echter wel nog uitzonderingen bestaan. 

Daarnaast zou iedere werknemer recht hebben om na een loopbaan van 10 jaar één keer zelf ontslag te nemen zonder het risico te lopen om een sanctie te krijgen van de RVA.  Het recht op uitkering is dan wel beperkt tot 6 maanden. 

Omwille van de hoge loonkost, zijn er de voorbije decennia tal van aanvullende loonvoordelen uitgewerkt of ontstaan. De intentie is om deze veelheid te beperken.  

Het populaire systeem van cao 90 en van de winstpremie zou worden vereenvoudigd. 

De regering wil ook het totaal pakket aan aanvullende voordelen naast het brutoloon beperken tot 20% van het jaarlijks brutoloon. Bonussen kunnen wel nog aanvullend toegekend worden. 

Het systeem van de werknemersparticipatie (participatiewet) wordt gemoderniseerd. 

De bedoeling is om de administratieve last voor bedrijven te verminderen. 

  • De jaarlijkse risicoanalyse die verplicht is volgens de welzijnswetgeving, moet niet jaarlijks uitgevoerd worden indien de risico’s van het bedrijf niet wijzigen. 
  • De verplichtingen rond deeltijdse arbeid moeten eenvoudiger. 
  • De rapporteringsverplichtingen opgelegd door Europese regelgeving (bijv. CSRD) zouden worden herbekeken om voor kmo’s niet te zware administratieve lasten te veroorzaken. 
  • De bewaarplicht voor sociale documenten wordt tegen het licht gehouden. 
  • Schrappen van de startbaanverplichting. 

De focus gaat in dit hoofdstuk in hoofdzaak naar internationale tewerkstelling, vooral om sociale dumping te vermijden. 

  • Het bestaande Meldpunt voor Eerlijke concurrentie wordt geoptimaliseerd om verboden terbeschikkingstelling sneller te detecteren. 
  • Belgische gebruikers van buitenlands personeel moeten beter geïnformeerd worden over de risico’s die zij lopen en moeten controleren of hun onderaannemer over een erkenning beschikt (bijv. als uitzendonderneming). 
  • De strijd tegen schijnzelfstandigheid en schijnwerkgeverschap wordt voortgezet. 
  • De bestaande systemen van ketenaansprakelijkheid o.a. in de bouw en de vleessector worden geëvalueerd. 
  • Ook bij het dagelijks verlaten van bouwwerven moet er gemeld worden. 
  • De fiscus en de RSZ werken samen om controle op de dagen aanwezigheid op Belgisch grondgebied voor buitenlandse werknemers (in internationale dubbelbelastingverdragen bepaald op 183-dagen) beter op te volgen. 
  • De sancties uit het Sociaal Strafwetboek werden in 2024 reeds aangepast. Deze worden verder aangescherpt bij inbreuken met een verzwarende factor (sanctie moet telkens minstens 50% bedragen van het maximumbedrag). Opdeciemen zouden verhoogd worden naar 90 (i.p.v. 70). Werkgevers die aan sociale dumping doen, zouden geen aanspraak kunnen maken op RSZ-kortingen als extra sanctie. 

In het regeerakkoord is er sprake van een verregaande hervorming van de pensioenen. De hervorming beoogt het pensioenstelsel op lange termijn betaalbaar te houden. Geleidelijkheid en respect voor verworven rechten staan hierbij centraal.

De structurele hervorming berust op een adequaat wettelijk pensioen, een versterking van de band tussen effectieve arbeidsprestaties en de opbouw van pensioenrechten, en een harmonisering tussen de pensioenstelsels voor werknemers, ambtenaren en zelfstandigen.

In de laatste versie van het regeerakkoord is een maatregel over vervroegd pensioen opgenomen. Voortaan zou een werknemer vervroegd met pensioen kunnen gaan zodra er 42 loopbaanjaren met effectieve arbeidsprestaties kunnen aangetoond worden, ongeacht of dit al dan niet in een zwaar beroep was. Dit laat toe om eerder dan op de wettelijke pensioenleeftijd met pensioen te gaan. 

Er zijn voor de verschillende specifieke pensioenstelsels (NBMS, politie...) overgangsmaatregelen, maar de bedoeling is toch om op termijn zoveel mogelijk gelijk te schakelen. 

Het akkoord bevat een reeks maatregelen  over het zelfstandigenstatuut, met als doel het zelfstandigenstatuut aantrekkelijker te maken. Er wordt onder meer ingezet op een betere sociale bescherming voor zelfstandigen. Hieronder vindt u enkele van de voorgestelde maatregelen:

  • Er zou een systeem van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid worden ingevoerd. Voor de uren die u als zelfstandige niet kunt werken, worden ziekte-uitkeringen betaald.
  • De administratieve situatie van een zelfstandige die arbeidsongeschikt is wordt bevroren om boetes of verhogingen te vermijden. 
  • Er wordt bekeken om de sociale bijdragen voor zelfstandigen niet per kwartaal maar maandelijks te laten berekenen. De betaling zou dan wel nog op kwartaalbasis gebeuren. 
  • Het statuut van zelfstandige in bijberoep zou worden verbeterd. 
  • Voor de bijdragen van zelfstandigen aan het VAPZ (Vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen) wordt het maximum deel van de jaarlijkse beroepsinkomsten dat de zelfstandige hieraan kan bijdragen verhoogd van 8,17% naar 8,5% vanaf 2026. Ook zelfstandige in bijberoep zouden vanaf dat jaar via het VAPZ rechten kunnen opbouwen. 
  • De verschillende stelsels van tweede pijler voor zelfstandigen zou worden hervormd en vereenvoudigd. Daarbij wordt ook de 80%-regel hervormd. 

3. Btw

Er zijn enkele grote “btw-werven” terug te vinden in het regeerakkoord, het klimaat en duurzaamheid, de vastgoedsector, het creëren van efficiënt rapporteringssysteem en het moderniseren van het boetebeleid.

In het kader van de strijd tegen klimaatverandering en de transitie naar een koolstofneutrale economie worden een aantal btw-tarieven aangepast. 

De levering met installatie van warmtepompen in nieuwbouw of in woningen die nog geen 10 jaar in gebruik zijn, die nu aan 21% btw is onderworpen, zal kunnen genieten van het verlaagd 6%-tarief en dit voor een periode van 5 jaar. 

Daarbij wordt meteen ook het standaard 21% btw-tarief van toepassing op de levering met installatie van verbrandingsketels op fossiele brandstoffen (mazout, gas, hout, …) ook als de woning ouder is dan 10 jaar. De hydraulische leidingen, vloerverwarming en radiatoren met hun regelsystemen zoals thermostatische kranen zouden wel nog tegen 6 procent btw kunnen geïnstalleerd worden. De achterliggende redenering is dat ze een langere levensduur hebben dan de verbrandingsketel en later bijvoorbeeld ook in combinatie met een warmtepomp kunnen worden gebruikt. Het toepasselijke btw-tarief op de levering met installatie van hybride verwarmingssystemen wordt niet behandeld in het regeerakkoord.  Momenteel zou een gesplitst btw-tarief overwogen worden voor dergelijke systemen (warmtepomp aan 6%, de subsidiaire verwarmingsketel op gas aan 6%). 

Voor reparatie en onderhoud van bestaande centrale verwarmingsinstallaties blijft het btw-tarief van 6% wel gelden, ook als het een ketel op fossiele brandstoffen betreft. 

Het huidige 12% tarief voor steenkool zal worden verhoogd tot het standaard 21%-tarief.

De FOD Financiën zal een circulaire publiceren met betrekking tot het forfaitair recht op aftrek van btw geheven van bedrijfsfietsen met een gemengd gebruik. Via deze circulaire zal de moeilijkheid worden ondervangen die het gevolg is van het ontbreken van een kilometeradministratie voor fietsen. 

Een onderneming kan vandaag al, onder bepaalde voorwaarden, handelsgoederen schenken aan door de FOD Financiën erkende instellingen, terwijl hij het recht op btw-aftrek behoudt. Rekening houdend met de basisregels van de btw, wil deze regering de strijd tegen verspilling versterken en fiscaal steun bieden voor het schenken van goederen aan mensen in nood. Onder andere zal de voorwaarde “De gebruikelijke commerciële verkooptermijn van het goed is verstreken” worden versoepeld, de regel van 15 dagen zal in bepaalde gevallen worden vervangen door een deel van de totale levensduur van het levensmiddel, en de lijst van luxeproducten, duurzame goederen of niet-essentiële goederen die momenteel zijn uitgesloten van dit regime, zal worden herzien om de lijst van goederen die geschonken kunnen worden uit te breiden.

Voor de bouwsector zou het toepassingsgebied van het verlaagd tarief voor afbraak en heropbouw, dat nog maar sinds 2024 stevig werd ingeperkt, weer worden uitgebreid tot de leveringen van wederopgebouwde woningen door bouwpromotoren. Bij leveringen door bouwpromotoren wordt het oppervlaktecriterium evenwel verstrengd van 200m2 naar 175m2. Deze nieuwe permanente regeling zou reeds ingaan vanaf 1 juli 2025. Dit lijkt op het eerste zicht mooi aan te sluiten bij het uitdoven van de overgangsmaatregel voor de bouwpromotoren die tot 30 juni 2025 werd verlengd, maar we mogen niet vergeten dat de overgangsmaatregel enkel van toepassing was op projecten waarvoor de omgevingsvergunning voor 1 juli 2023 was aangevraagd. 

Verder heeft de regering nog enkele intenties uitgeschreven. Zij neemt zich voor een duidelijke definitie uit te werken voor wat betreft renovatie en vernieuwbouw. De regering onderzoekt hoe er op termijn een duurzaamheidsvoorwaarde ingevoerd kan worden, binnen de komende Europese regelgeving en zonder de administratieve lasten te verhogen.

Om onze kmo’s te ontlasten zal de regering het dagontvangstenboek, diverse btw-registers ... schrappen, bijsturen, of vereenvoudigen. Daarbij zal rekening gehouden worden met de bestaande controlemogelijkheden en de informatie waarover de fiscale administratie al beschikt.  Andere administratieve formaliteiten zoals bijvoorbeeld de nihil btw klantenlisting…  zullen worden afgeschaft n.a.v. de invoering van e-reporting.

De regering gaat onderzoek voeren naar het internationaal verspreide model van een loterij met btw-ontvangstbewijzen om het opvragen van ontvangstbewijzen te stimuleren en de fiscale fraude te verminderen.

De witte kassa wordt ingevoerd in de gehele horeca om een level playing field te garanderen. Daardoor zullen heel wat administratieve verplichtingen geschrapt kunnen worden, zoals de verplichting tot het uitreiken van rekeningen.  Er komt een uitbreiding van de witte kassa naar andere fraudegevoelige sectoren. Er wordt een tolerantie ingebouwd voor kleinschalige activiteiten zodat deze buiten het toepassingsgebied blijven, de drempel van 25.000 EUR wordt behouden maar de berekening ervan zal worden aangepast. De regering zal een bijkomende ondersteuning voorzien om de invoering van de witte kassa en dit beleid te faciliteren.

Om btw-fraude tegen te gaan voeren we vanaf 2028 “near real time reporting” in voor transacties tussen btw-belastingplichtigen en transacties waarvoor een GKS gebruikt wordt. Er zal ook aandacht gaan naar het respecteren van het beroepsgeheim. Hierbij zullen kassa’s en betaal- en facturatiesystemen in verbinding staan met de administratie en geautomatiseerd btw-gegevens doorsturen. Dit betekent een significante vermindering van administratieve btw-verplichtingen voor ondernemingen via de afschaffing van de klantenlisting en zal de mogelijkheid tot btw-fraude gevoelig laten dalen als gevolg van de optimalisering van de datamining en de kennis van de controlediensten.

Daarnaast zal de belastingplichtige bij een eerste overtreding ter goede trouw geen gemotiveerd verzoekschrift meer moeten indienen, en zal de administratie zelf nagaan of de voorwaarden tot niet-oplegging van een eventuele sanctie zijn voldaan.

Het vertrouwensbeginsel zal worden verankerd in de wet, waarbij verduidelijkt wordt dat belastingplichtigen die een controle op een element uit hun aangifte hebben ondergaan en die praktijk, bij ongewijzigde wetgeving, verderzetten in een volgend belastbaar tijdperk, niet worden gepenaliseerd bij een eventuele latere controle.

De federale regering zal inzetten in op een modern boetebeleid over btw, waarbij in het kader van de vaststelling van de hoogte van de proportionele geldboete onder meer rekening zal worden gehouden met de verzachtende omstandigheid dat de Belgische Schatkist ingevolge de begane inbreuk geen financieel nadeel heeft geleden. 

Tot slot zal worden onderzocht of het naar het Nederlands voorbeeld opportuun is om te voorzien in een vrijstelling bij een zgn. ‘objectief pleitbaar standpunt’ i.e., wanneer het op grond van de huidige stand van de jurisprudentie verdedigbaar is dat de belastingplichtige juist heeft gehandeld.

#Tax & Legal #Fiscaliteit #Verkiezingen