Overslaan en naar de inhoud gaan
#btw #Vouchers #Onroerend goed #Wetswijziging #Europese Commissie #btw-vrijstelling #btw-aftrek #Tax & Legal

Laatste stand van zaken inzake diverse wijzigingen op btw-vlak

dinsdag 11/02/2020
Laatste stand van zaken inzake diverse wijzigingen op btw-vlak

In dit artikel staan we even stil bij de laatste stand van zaken van een aantal btw-wijzigingen die plaatsvonden in 2019. Het betreft hier een kort overzicht. Voor een meer diepgaande toelichting kunnen jullie uiteraard steeds contact opnemen met ons btw-team. 

1. Vouchers

De nieuwe ‘voucher’-regeling trad in werking op 1 januari 2019. Er werd via de wet van 11 februari 2019 een definitie voor de begrippen ‘voucher voor enkelvoudig gebruik’ en ‘voucher voor meervoudig gebruik’ toegevoegd (art. 1, §15 btw-wetboek), een bepaling inzake de regels voor overdracht en inwisseling van vouchers (art. 22ter btw-Wetboek), alsook een bepaling dewelke de maatstaf van heffing vastlegt bij de uitgifte en de daaropvolgende overdrachten van vouchers voor meervoudig gebruik (art. 26, §2 btw-wetboek).

Een voucher is een (fysiek of elektronisch) instrument dat ingeruild kan worden voor een goed of een dienst. Het wordt met andere woorden beschouwd als een gehele of gedeeltelijke tegenprestatie van die levering of dienst. Kortingsbonnen of klantenspaarkaarten kunnen niet worden aangemerkt als een voucher . Zo de klant zou moeten bijbetalen voor de latere verrichting, doet dit geen afbreuk aan het bestaan van een voucher. De circulaire (Circ. 2018/C/127 van 7 december 2018) bevat onder meer een niet-limitatieve tabel met voorbeelden van situaties die al dan niet als een voucher worden aangemerkt.

De voucher zelf of de erbij horende documentatie vermeldt de goederenlevering of te verrichten dienst, of de identiteit van de potentiële leverancier/dienstverrichter, alsook de voorwaarden voor gebruik van de voucher.  

Deze nieuwe regelgeving maakt een onderscheid tussen enkelvoudige en meervoudige vouchers wat het tijdstip van opeisbaarheid betreft:           

  • Weet men op het ogenblik van uitgifte van de voucher reeds over welke btw-handeling het gaat, waar deze plaats zal vinden en hoeveel het toepasselijke btw-tarief zal bedragen over het bedrag van de voucher, dan is er sprake van een enkelvoudige voucher (bv. een voucher die toegang geeft tot een Belgische sauna). De btw wordt dan opeisbaar op het ogenblik van uitgifte (“de eerste overdracht van de voucher”) van de voucher, alsook op elke verdere overdracht volgens het btw-regime dat toepasselijk is op de betreffende goederenlevering of dienst waartegen de voucher ingeruild kan worden, doch niet meer op het ogenblik de voucher verzilverd wordt.
  • In alle andere gevallen is er sprake van een meervoudige voucher (bv. een restaurantbon die verzilverd kan worden binnen de Benelux). De btw wordt dan slechts opeisbaar op het moment van verzilvering van de voucher (en dus niet bij uitgifte noch bij overdracht), over:
    • ofwel de tegenprestatie die betaald is voor de voucher;
    • dan wel (bij gebrek aan kennis hierover), de monetaire waarde vermeld op de voucher of in de erbij horende documentatie, verminderd met het btw-bedrag over de levering of dienst..  

Hoewel de circulaire, in de vorm van een FAQ, tegemoetkomt aan een aantal pertinente vragen in de praktijk, blijven bepaalde specifieke situaties onduidelijk vanuit btw-perspectief. Tot op heden werd geen initiatief vanwege de btw- administratie genomen om hieraan tegemoet te komen.

2. Optionele belastingheffing bij professionele onroerende verhuur (1 januari 2019)

Sinds 1 januari 2019 (Wet van 14 oktober 2018, BS 25 oktober 2018) heeft men de mogelijkheid om gebouwen of gedeelten van gebouwen met btw te verhuren (artikel 44, §3, 2°, d) btw-wetboek). Zo mag de huurder het onroerend goed enkel gebruiken voor zijn btw-plichtige activiteit en geldt de optie enkel maar voor de verhuur van nieuwe gebouwen waarvan de btw op de oprichtingswerken slechts opeisbaar is geworden na 1 oktober 2018 (uitgezonderd opslagplaatsen). Onder de nieuwe regeling beloopt het herzieningstijdvak t.a.v. de btw geheven van (gedeelten) van gebouwen dat verhuurd wordt onder deze optionele regeling  vijfentwintig jaar (art. 48, §2, lid 3 btw-wetboek).  De Fiscale Administratie heeft via een circulaire (nr. 2019/C/25 dd. 21.03.2019) een FAQ gepubliceerd dewelke een antwoord tracht te bieden op de praktische vraagstukken in dit verband. Voor een uitgebreide bespreking van deze nieuwe regelgeving verwijzen we naar ons recent gepubliceerde artikel hierover.

3. Verplichte btw-heffing op kortdurende onroerende verhuur (1 januari 2019)

Voormelde wet van 14 oktober 2018 heeft tevens geleid tot de invoering van een verplichte btw-heffing op (welbepaalde gevallen van) kortdurende onroerende verhuur vanaf 1 januari 2019 (art. 44, §3, 2° a), zevende streepje btw-wetboek). Op de verhuur van congreszalen, tentoonstellingsruimten, vergaderzalen, seminarieruimten, etc. welke voor niet meer dan 6 maanden worden verhuurd, zal bijgevolg verplicht btw geheven moeten worden (uitgezonderd in enkele vrijstellingsgevallen zoals bv. bij verhuur aan een erkende jeugdbeweging). De reeds aangehaalde FAQ biedt ook hier een antwoord op de vragen die reeds vanuit de praktijk rezen in dit kader. Ook voor een uitgebreide bespreking van deze nieuwe regeling, verwijzen we naar ons recent gepubliceerd artikel.

4. Ontslag van aansprakelijkheid om btw te voldoen in hoofde van aannemer

Via de wet van 30 juli 2018 werden verschillende wijzigingen aangebracht in het btw-wetboek. Eén van de wijzigingen die werd ingevoerd, betreft het ontslag van aansprakelijkheid voor voldoening van de btw in hoofde van de aannemer wanneer een ‘kleine onderneming’ (artikel 56bis btw-wetboek) of ‘landbouwonderneming’ (artikel 57 btw-wetboek) zijn btw-nummer aan hem meedeelt (art. 53 undecies btw-wetboek).  

Waarover gaat dit concreet? Een Belgische aannemer die in België werk in onroerende staat (of ermee gelijkgestelde handelingen) verricht voor:

  • een Belgische klant die periodiek btw-aangiften indient; of
  • een niet in België gevestigde klant die in België een individuele aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen;

moet verplicht de btw over zijn dienstverlening verleggen naar deze klant. Wanneer klanten een BE btw-nummer meedelen aan de aannemer, gaat deze er vaak (al te snel) van uit dat de klant ook periodiek btw-aangiften indient, hoewel dit niet steeds het geval is. Een onderneming die onderworpen is aan de kleine ondernemingsregeling of de bijzondere landbouwregeling beschikt bijvoorbeeld over een btw-identificatienummer dat de letters BE bevat, hoewel hij geen periodieke btw-aangiften indient. De verleggingsregel kan dan niet spelen, ook al deelt deze onderneming zijn btw-nummer mee aan de aannemer.  

Om enerzijds het risico te vermijden dat de btw op aannemingswerken uiteindelijk niet wordt voldaan en anderzijds de toepassing van de verleggingsregel in hoofde van aannemers te vergemakkelijken, gaat de btw-wetgever kleine ondernemingen en ondernemingen die genieten van de bijzondere landbouwregeling voortaan verbieden om hun btw-nummer mee te delen aan hun aannemer. Doen ze dit toch, dan zal de btw-administratie de verschuldigde btw bij niet-betaling enkel bij hen kunnen navorderen. De aannemer zal voortaan dus ‘buiten schot’ blijven (tenzij in geval van samenspanning tussen de partijen).  

Merk op dat het sinds enige tijd ook mogelijk is om op basis van een btw-nummer op de Intervat website na te gaan of en met welke regelmaat btw-aangiften ingediend worden door de houder van het btw-nummer.

Een circulaire van 25 januari 2019 (2019/C/3) werd ondertussen gepubliceerd waarin onder meer deze wijziging in het btw-wetboek wordt toegelicht.

5. Btw-aftrek geestrijke dranken

Een andere vermeldenswaardige wijziging dewelke is opgenomen in de eerder vermelde wet van 30 juli 2018  behelst de btw-aftrek van geestrijke dranken, zijnde alcoholische dranken zoals cognac, whisky, jenever en likeuren (art. 45, §3, 2° btw-wetboek). Via deze wetswijziging is voor het uitdelen van handelsmonsters van geestrijke dranken en het schenken van geestrijke dranken in het kader van proeverijen de btw-aftrek mogelijk gemaakt op de aankoop of intracommunautaire verwerving van deze geestrijke dranken. De reden hiervoor is dat dergelijke kosten beschouwd dienen te worden als publiciteitskosten dewelke wel in aanmerking komen voor de btw-aftrek.

Diezelfde circulaire van eind januari 2019 bespreekt ook nader de voorwaarden waaronder de btw-aftrek in dit verband wordt toegelaten. Hierin wordt onder meer vereist dat het monster van dezelfde aard moet zijn als de goederen die door het bedrijf worden geproduceerd of verkocht.

6. Vereenvoudiging van de aangifte bouwwaarde

De verplichting die voorheen bestond voor eigenaars van een pas opgericht gebouw om een omstandige opgave van gegevens te bezorgen dewelke onder meer de plannen en bestekken van het gebouw evenals de relevante facturen en andere bewijselementen diende te omvatten, behoort sinds de wet van 30 juli 2018 tot de verleden tijd (art. 64, §4 btw-wetboek). De praktijk wees immers uit dat deze formaliteit als te belastend werd ervaren door de eigenaars.

Ingevolge deze wetswijziging volstaat het om slechts enkele specifieke inlichtingen betreffende de nieuwbouw mee te delen via een speciaal standaardformulier, zonder dat nog documenten meegestuurd moeten worden. Als de btw- administratie deze documenten toch nog wenst te zien, kan ze op eenvoudig verzoek vragen dat deze haar voorgelegd worden. Ze moeten immers, net zoals voorheen, gedurende vijf jaar bewaard worden vanaf de datum van betekening van het kadastraal inkomen. Ook de eerder aangehaalde circulaire van eind januari 2019 behandelt deze vereenvoudigingsmaatregel.

7. FAQ’s n.a.v. de btw-vrijstelling voor zelfstandige groeperingen van personen

Sinds 1 juli 2016 kunnen zelfstandige groeperingen van personen die diensten verrichten aan hun leden, deze diensten onder welbepaalde voorwaarden van btw vrijstellen (art. 44, §2bis btw-wetboek). Voorheen bestond er reeds een gelijkaardige btw-vrijstelling voor ‘kostendelende verenigingen’, doch een aanpassing van deze regeling drong zich op nadat België opmerkingen had gekregen over deze vrijstellingsregeling vanwege de Europese Commissie. De btw-administratie heeft deze nieuwe regeling in een uitgebreide circulaire van 12 december 2016 verder toegelicht (AAFisc. nr. 31/2016). Reeds in eerdere artikels berichtten we omtrent deze nieuwe wetgeving (Verwijzen naar artikel: ‘btw-vrijstelling voor kostendelende verenigingen ‘new style’ vanaf 1 juli 2016’ en naar artikel ‘Nieuwe regels kostendelende vereniging – snelle actie vereist’). 

Zelfstandige groeperingen moeten zich sindsdien melden bij de btw-administratie. Specifiek voor samenwerkingsverbanden waarin beoefenaars van (para-) medische beroepen zich vaak verenigen, bestond discussie over de btw-behandeling in dit verband. De circulaire 2019/C/46 gepubliceerd op 5 juni 2019 bevat een FAQ die voorziet in praktijkvoorbeelden specifiek voor de (para)medische sector dewelke een concrete leidraad biedt van wat mogelijk is in het kader van de relevante btw-vrijstellingen voor de (para)medische sector. De FAQ is in werking getreden op 1 januari 2020.Deze FAQ dient zeker ter hand genomen te worden bij de opstart van een samenwerkingsverband waarbij een toetsing dient plaats te vinden aan deze praktijkvoorbeelden teneinde de toepassing van een btw-vrijstelling te verzekeren.

NEEM CONTACT OP MET EEN VAN ONZE ADVISEURS
An Lettens
An Lettens
Partner Tax & Legal Services
Marisol T'Kint
Marisol T'Kint
Senior Associate Tax & Legal Services