Overslaan en naar de inhoud gaan
#btw #Zomerakkoord #Onroerend goed

Kort btw-nieuws

dinsdag 28/11/2017
VAT news
Het decembervoorschot voor kwartaalaangevers.

Btw-belastingplichtigen die periodieke maandaangiften indienen, zijn al langer gekend met het fenomeen van het decembervoorschot. Binnenkort zullen ook de kwartaalindieners voor de eerste keer met deze verplichting rekening moeten houden.

In het kader van een verdere vereenvoudiging van de btw-regelgeving en –administratie besliste de minister van Financiën om het systeem van verplichte kwartaalvoorschotten, waartoe btw-belastingplichtigen die periodieke kwartaalaangiften indienden, gehouden waren, af te schaffen vanaf 1 april 2017. Zo wordt het probleem van de voorfinanciering van btw opgelost. Vrijwillig mag men sinds die datum echter nog steeds kwartaalvoorschotten blijven betalen. Daardoor vermijdt men:

  • dat men op het einde van het kwartaal een te hoog btw-bedrag moet betalen;
  • en het risico dat men al het verschuldigd btw-geld ondertussen al voor andere doeleinden heeft aangewend.  

Om kwartaalaangevers echter op gelijke voet te plaatsen als maandaangevers, werd niettemin beslist dat vanaf dit jaar ook kwartaalaangevers een decembervoorschot zullen moeten betalen dat uiterlijk op 24 december op hetzelfde bankrekeningnummer van de btw-ontvangsten Brussel zal moeten staan, gebruikmakend van de gebruikelijke referte voor periodieke btw-betalingen (btw-nummer gevolgd door twee bijkomende cijfers).  

Of dit betekent dat daadwerkelijk ook een bedrag op de rekening van de Belgische Staat gestort gaat moet worden, zal echter afhangen van de belaste handelingen verricht/ontvangen met betrekking tot het derde of vierde kwartaal. Kwartaalindieners mogen immers, net zoals maandaangevers, zelf kiezen hoe zij dit decembervoorschot willen berekenen.  

  • Decembervoorschot is gelijk aan de btw verschuldigd over de periode 1 oktober tot en met 20 december.    

    Ofwel kunnen kwartaalindieners ervoor kiezen om het btw-bedrag dat verschuldigd is over de periode 1 oktober tot en met 20 december te betalen.

    Kiest men voor deze berekeningswijze, dan dient het bekomen verschuldigde btw-bedrag in rooster 91 van de btw-aangifte met betrekking tot het vierde kwartaal te worden ingevuld.
    • Is het bedrag aan te betalen btw over de periode 1 oktober tot en met 20 december groter dan het bedrag aan aftrekbare btw over die periode, dan dient het verschil in rooster 91 ingevuld te worden en het is dit verschil dat uiterlijk op 24 december gestort moet zijn.
    • Is het bedrag aan te betalen btw over de periode 1 oktober tot en met 20 december kleiner of gelijk aan het bedrag aan aftrekbare btw over die periode, dan vult de kwartaalindiener 0,00 EUR in in rooster 91 en moet hij geen decembervoorschot betalen.  
       
  • Decembervoorschot is gelijk aan de btw die betaald werd op basis van de btw-aangifte van het derde kwartaal. 

    Ofwel kunnen kwartaalindieners ervoor kiezen om de btw die ze moesten betalen op basis van de btw-aangifte van het derde kwartaal, nogmaals te betalen als decembervoorschot.
    • Vertoonde rooster 71 van de btw-aangifte met betrekking tot het derde kwartaal een positief te betalen saldo, dan dient ditzelfde bedrag nogmaals betaald te worden vóór 24 december;
    • Vertoonde rooster 71 van de btw-aangifte met betrekking tot het derde kwartaal een bedrag van 0,00 EUR of vertoonde rooster 72 van deze btw-aangifte een te ontvangen saldo (een btw-tegoed), dan moet geen bedrag gestort worden aan de Belgische Staat als decembervoorschot.

        Kiest men voor deze tweede berekeningswijze, dan dient geen enkel bedrag ingevuld te worden in
        rooster 91 van de btw- ​​​aangifte m.b.t. het vierde kwartaal.  

Kwartaalindieners kunnen dus, net zoals maandaangevers, zelf de berekening maken en zien welke berekeningswijze van het decembervoorschot cash flow matig hen het meeste voordeel biedt. Het betaalde voorschot wordt dan verrekend met het te betalen saldo van de btw-aangifte over het vierde kwartaal, welke uiterlijk op 20 januari van het nieuwe jaar ingediend moet zijn. Best is om nu reeds een agendapunt aan te maken met betrekking tot dit decembervoorschot, zodat deze (eventuele) betaling niet over het hoofd gezien wordt en interesten vermeden worden.  

Toch geen optioneel btw-stelsel voor onroerende verhuur. 

In het zomerakkoord werd aangekondigd dat een optioneel stelsel zou worden ingevoerd in 2018 om de verhuur van onroerende goederen aan professionelen aan btw te onderwerpen. In een vorig artikel lieten we weten dat deze maatregel in de toekomst bijgevolg een alternatief kon bieden om het verlies van btw-aftrek te vermijden wanneer bijvoorbeeld een patrimoniumvennootschap een onroerend goed aankoopt of opricht om dit vervolgens ter beschikking te stellen van een werkvennootschap die er haar economische activiteit in uitoefent.

Op 23 oktober vernamen we echter dat de regering dat weekend, onder meer om budgettaire redenen, had beslist om toch niet verder te gaan met de invoering van dit optioneel btw-stelsel op onroerende verhuur, wat wij ten zeerste betreuren. Dit betekent dat het, integendeel tot wat initieel werd aangekondigd, toch niet mogelijk zal zijn om vanaf 1 januari 2018 te opteren om, mits vervulling van bepaalde voorwaarden, onroerende verhuur aan professionelen aan btw te onderwerpen. Om onroerende verhuur aan btw te kunnen onderwerpen (en bijgevolg recht op aftrek van btw op kosten met betrekking tot het onroerend goed te kunnen uitoefenen), zal dus verder gebruik gemaakt moeten worden van de bestaande mogelijkheden zoals bijvoorbeeld de oprichting van een btw-eenheid of de onroerende financieringshuur. 

Wel zou men thans bezig zijn met de voorbereiding van een nieuwe circulaire, waarbij specifiek in een versoepeling van het btw-regime voor verhuur van magazijnruimte wordt voorzien. De btw-administratie is immers tot op heden van mening geweest dat de terbeschikkingstelling van opslagruimte maar aan btw onderworpen kan worden, indien het gebouw uitsluitend voor opslag gebruikt wordt (rechtspraak floot de btw-administratie in het verleden echter wel meermaals terug). Een administratieve tolerantie geldt niettemin wanneer hoogstens 10 % van de oppervlakte van deze ruimte gebruikt wordt als kantoor of lokaal door personen die belast zijn met het beheer van de opgeslagen goederen.  

Deze zogenaamde 10 %-regel zou vanaf 1 januari 2018 afgeschaft worden en vervangen worden door een zogenaamde 50 %-regel. Wanneer met andere woorden kantoorruimtes bij een opslagruimte verhuurd gaan worden, zou de gehele onroerende verhuur toch onder toepassing van btw kunnen geschieden wanneer de oppervlakte of het volume van de kantoorruimtes minder dan 50 % bedraagt van de totale oppervlakte of het totale volume van het gebouw (en dus recht op aftrek van voorbelasting in hoofde van de verhuurder kunnen genereren). Bij het schrijven van dit artikel was er nog geen circulaire gepubliceerd. Niettemin berichten we jullie hierover van zodra deze op Fisconet verschijnt.

De btw-administratie schept duidelijkheid: boetes wegens vertraging in de uitvoering van overeenkomsten kwalificeren als schadevergoeding. 

In een recente administratieve circulaire van 25 oktober 2017 benadrukt de btw-administratie dat de bedragen die worden betaald ter herstelling van de schade veroorzaakt door de laattijdige uitvoering van overeenkomsten, een “schadevergoeding wegens vertraging” vormen en bijgevolg geen invloed hebben op de maatstaf van heffing van de betreffende overeengekomen handeling. In de bouwsector bijvoorbeeld komt het regelmatig voor dat de aannemer een specifiek, contractueel vastgelegd bedrag moet betalen omdat hij de werken met vertraging heeft uitgevoerd. In de praktijk wordt dit bedrag dan in mindering gebracht van de afgesproken prijs die de opdrachtgever aan de aannemer moet betalen.  

De btw-administratie benadrukt nu dat deze ‘gecompenseerde vermindering’ niet beschouwd mag worden als een prijsvermindering van de oorspronkelijk overeengekomen handeling, welke in mindering gebracht moet worden van de oorspronkelijke maatstaf van heffing waardoor minder btw verschuldigd zou zijn. Het betreft daarentegen een schadevergoeding die buiten het btw-toepassingsgebied valt en die geen invloed heeft op deze oorspronkelijke overeengekomen maatstaf van heffing.  

Stel dat de overeengekomen prijs 1.000,00 EUR (btw excl.) bedraagt en de boete wegens vertraagde uitvoering 10 %. In de praktijk zal de opdrachtgever dan maar 1.110,00 EUR betalen aan de aannemer (1.000,00 + 210,00 EUR btw – 100,00 EUR vertragingsboete). Echter blijft de verschuldigde en dus aan de Belgische Staat af te dragen btw, 210,00 EUR.  

Neem contact op met een van onze adviseurs
Bert Derez
Bert Derez
Partner Tax & Legal Services