Overslaan en naar de inhoud gaan
#Vennootschap #Vennootschapsvorm #Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen #Aandelen #Dividenden #Roerende voorheffing

Drie fiscale redenen om nog voor 1 januari 2020 voor het WVV te kiezen

dinsdag 24/09/2019
Opt in Fiscaal

Op 1 mei 2019 werd het Belgische vennootschapsrecht grondig gewijzigd door de gefaseerde invoering van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (“WVV”). In dit artikel geven we een aantal goede redenen om reeds voor 1 januari 2020 vrijwillig te opteren voor de toepassing van het WVV en dit vanuit een fiscale invalshoek.

"Kapitaalvermindering"

In het WVV werd het kapitaal voor een aantal vennootschapsvormen afgeschaft. Omdat er voor die vennootschapsvormen vanuit vennootschapsrechtelijk oogpunt geen minimumkapitaal meer van toepassing is, kan men overwegen het bedrag van het voorheen gestorte kapitaal (belastingvrij) uit te keren.

Vanuit fiscaal oogpunt is het begrip ‘kapitaal’ niet verdwenen. Daar waar men dus vanuit vennootschapsrechtelijk oogpunt het kapitaalbegrip afschafte, werd vanuit fiscaal oogpunt een eigen definitie van het begrip ‘kapitaal’ ingevoerd, nl. “het eigen vermogen (…) in zoverre het gevormd wordt door inbrengen in geld of in natura, andere dan inbrengen in nijverheid”.

Het kapitaal dat in het verleden werd ingebracht in de vennootschap kan er aldus belastingvrije opnieuw uitgehaald worden beneden het minimumkapitaal van zodra de statuten zijn aangepast aan het WVV.

Er zijn echter een aantal aandachtspunten:

  • Sinds 1 januari 2018 heeft een fiscale kapitaalvermindering  tot gevolg dat er ook pro rata een fiscaal dividend zal worden uitgekeerd en op dat dividend zal ook roerende voorheffing (in principe 30%) dienen te worden ingehouden (voornamelijk als de genieter een natuurlijk persoon is). Enkel in specifieke omstandigheden zal er geen roerende voorheffing verschuldigd zijn, bijvoorbeeld indien de kapitaalvermindering slaat op ‘vastgeklikte reserves’ (art. 537 WIB 92) of indien de overige reserves uitsluitend bestaan uit o.a. belastingvrije reserves of liquidatiereserves…
  • Indien het eigen vermogen ten gevolge van de kapitaalvermindering lager is dan 2 keer de beleggingswaarde van de aandelen in het bezit van de vennootschap (beleggingen in aandelen, BEVEK’s,… of dochterondernemingen waar de vennootschap minder dan 75% van de aandelen in bezit) zal de vennootschap niet langer in aanmerking komen voor het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting (20,40% op de eerste schijf van € 100.000 i.p.v. 29,58%).
  • Het is ook aan te raden dat de vennootschap over voldoende middelen beschikt om de kapitaalvermindering uit te betalen (in geld of in natura). Bepaalde rechtspraak stelt immers dat de intresten m.b.t. een lening om een kapitaalvermindering/dividenduitkering uit te betalen niet aftrekbaar zijn. Deze rechtspraak dient wel in het juiste perspectief geplaatst te worden: in specifieke omstandigheden zijn deze intresten wel aftrekbaar.
  • Voor vennootschappen die in aanmerking komen voor de VVPR-bis regeling (slechts 15% of 20% i.p.v. 30% roerende voorheffing op dividenden) heerst op dit ogenblik onduidelijkheid over de kapitaalvereiste.
    • Voor vennootschappen opgericht vanaf 1 mei 2019 of aandelen m.b.t. een kapitaalverhoging vanaf 1 mei 2019 is er geen twijfel: indien alle andere voorwaarden vervuld zijn, zullen de dividenduitkeringen m.b.t. deze aandelen in aanmerking komen voor VVPRbis.
    • Voor oprichtingen en kapitaalverhogingen tussen 1 juli 2013 (start van deze VVPRbis-regeling) en 30 april 2019 is de situatie onduidelijk. Immers in deze periode was 1 van de voorwaarden voor de VVPRbis-regeling dat de vennootschap een minimumkapitaal moest hebben van € 18.550.
      • Indien de vennootschap voorheen in aanmerking kwam voor de VVPRbis-regeling en zij vermindert haar kapitaal niet, zal zij uiteraard in aanmerking blijven komen voor de VVPRbis regeling.
      • Indien de vennootschap voorheen in aanmerking kwam voor de VVPRbis-regeling en zij vermindert haar kapitaal tot onder de € 18.550, is het onzeker of de VVPRbis regeling van toepassing blijft (op basis van de letter van de wet lijkt deze regeling mogelijks verloren te gaan, doch er zijn ook andere meningen in de rechtsleer).
      • Indien de vennootschap voorheen niet in aanmerking kwam voor de VVPRbis-regeling, enkel en alleen omdat zij geen kapitaal had van minimum € 18.550, wordt door sommigen verdedigd dat zij voortaan wel in aanmerking zou komen voor de VVPRbis regeling maar op basis van de letter van de wet lijkt ons dat hoogst onzeker.

Het zou goed zijn dat hieromtrent duidelijkheid komt, maar in afwachting zouden wij kapitaalverminderingen in vennootschappen die in aanmerking komen voor de VVPRbis regeling naar een bedrag beneden de € 18.550 uitstellen totdat er meer duidelijkheid is.

Reorganisatie van het bestuursorgaan

Het WVV bevat heel wat dwingende bepalingen met betrekking tot het bestuur en besluitvorming in vennootschappen. Het belangrijkste aandachtpunt is dat er vanaf 1 januari 2020 een cumulverbod komt in die zin dat één persoon niet langer in verschillende hoedanigheden in één bestuursorgaan kan zetelen, zoals bijvoorbeeld in eigen naam enerzijds en als vaste vertegenwoordigervan een rechtspersoon-bestuurder anderzijds. Voor meer details hieromtrent verwijzen wij naar dit artikel.

Naast de juridische aspecten zijn ook de fiscale aspecten in dit verband belangrijk.

Nemen we het voorbeeld van een natuurlijk persoon x die zowel bestuurder is in eigen naam van de vennootschap A en vaste vertegenwoordiger is van een rechtspersoon-bestuurder B:

  • Bestuursorgaan vennootschap A
    • Dhr/Mevr. x
    • B, vast vertegenwoordigd door Dhr/Mevr. x

Zo’n structuur zal niet meer toegelaten zijn met ingang van 1 januari 2020. Er dient dus een oplossing gezocht te worden:

  • Optie 1: Dhr/Mevr x neemt ontslag als bestuurder in eigen naam. Er is op deze manier wel voldaan aan de vennootschapsrechtelijke regelgeving, maar wat als Dhr/Mevr x ook een bezoldiging of zitpenningen ontving van de vennootschap A? De bezoldiging of zitpenningen dienen dan te worden stopgezet en er dient verder te worden onderzocht of deze bezoldigingen of zitpenningen vanuit een andere vennootschap van de groep kunnen worden uitgekeerd (mits er werkelijke prestaties van Dhr/Mevr x zijn ten behoeve van die andere vennootschap).
  • Optie 2: B, vast vertegenwoordigd door Dhr/Mevr x neemt ontslag. Wat als B een bestuurdersvergoeding ontvangt van A? Kan de bestuurdersvergoeding geheel of gedeeltelijk vervangen worden door een dienstverleningsovereenkomst tussen A en B?
  • Optie 3: B wijzigt haar vaste vertegenwoordiger door Dhr/Mevr y. Dhr/Mevr y zal dan de vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheid dragen. Indien zowel Dhr/Mevr x als B (thans vast vertegenwoordigd door Dhr/Mevr y) vergoedingen ontvangen uit A, zal men de nodige documentatie moeten bijhouden voor het bewijs van de daadwerkelijke prestaties (het is immers zeer moeilijk om te verdedigen dat er enerzijds een vergoeding is  voor de prestaties van Dhr/Mevr. x in eigen naam en anderzijds een vergoeding voor (andere!) prestaties van Dhr/Mevr x die gefactureerd worden vanuit B.

Elke vennootschapsgroep dient met andere woorden de intercompany-facturaties inzake managementfees en bestuurdersbezoldigingen onder de loep te nemen. De fiscale Administratie heeft in de laatste jaren zeer veel aandacht besteed aan deze problematiek tijdens fiscale controles en deinst er niet voor terug (indien de onderbouw van de vergoedingen onvoldoende blijkt)  de kosten te verwerpen (en de afgetrokken BTW terug te vorderen) terwijl bij de facturerende vennootschap deze vergoedingen onverminderd belast blijven (economische dubbele belasting).

Liquidatiereserve

Kleine vennootschappen kunnen een liquidatiereserve aanleggen. Er wordt bij de aanleg van de liquidatiereserve 10% extra vennootschapsbelasting betaald, maar bij een dividenduitkering na 5 jaar uit deze liquidatiereserve zal er slechts 5% bijkomende roerende voorheffing verschuldigd zijn (en bij vereffening zelfs geen bijkomende heffing). In vergelijking met het standaardtarief van roerende voorheffing op dividenden van 30% is dit een mooie opportuniteit, weliswaar enkel in het geval de aandeelhouder een natuurlijk persoon is.

Indien de aandeelhouder een vennootschap is, heeft het geen enkele zin om een liquidatiereserve aan te leggen. Het dividend wordt in hoofde van de aandeelhouder-vennootschap belast in de vennootschapsbelasting ofwel vrijgesteld van belasting binnen de voorwaarden van de DBI-aftrek. De 10% extra vennootschapsbelasting betaald bij de aanleg van een liquidatiereserve kan door de aandeelhouder-vennootschap niet gerecupereerd of verrekend worden.

In een vennootschap waar er zowel aandeelhouders-vennootschappen als aandeelhouders-natuurlijke personen zijn, zullen de aandeelhouders-natuurlijke personen er belang bij hebben om een liquidatiereserve aan te leggen, terwijl aandeelhouders-vennootschappen er geen belang bij hebben.

De beste oplossing bestaat er in om slechts liquidatiereserves te kunnen aanleggen pro rata het dividendrecht van de natuurlijke personen-aandeelhouders.

Bijvoorbeeld een vennootschap A met 2 aandeelhouders die elk 50% van de dividendrechten bezitten nl. vennootschap B en natuurlijk persoon x. Dan zou de ideale werkwijze zijn dat er een liquidatiereserve wordt aangelegd op slechts 50% van de winst na belastingen (vóór belasting op de liquidatiereserve) en dat deze liquidatiereserve uitsluitend wordt toebedeeld (doch nog niet wordt uitgekeerd) aan natuurlijk persoon x. De resterende winst wordt dan uitsluitend toebedeeld (doch nog niet wordt uitgekeerd) aan vennootschap B. Merk op dat er bijgevolg in feite een ongelijke winstverdeling plaatsvindt nl. aan B wordt de helft van de winst na belasting vóór aftrek van de belasting op de liquidatiereserve toegedeeld en aan x wordt de helft van de winst na belasting toegekend na aftrek van de volledige belasting op de liquidatiereserve.

Daarover ondervraagd heeft de Minister van Financiën begin 2016 verwezen naar deze ongelijke verdeling van het dividend om te oordelen dat voornoemde werkwijze niet mogelijk is.

Echter, door de invoering van het WVV is een ongelijke verdeling van de dividendrechten nu wel mogelijk geworden. Mogelijks kan statutair bepaald worden dat de winstverdeling zal plaatsvinden conform de werkwijze hiervoor vermeld zodat er voor geopteerd kan worden om enkel voor de dividenden aan de aandeelhouder natuurlijk persoon een liquidatiereserve aan te leggen.

Conclusie

De invoering van het nieuw WVV biedt ook op fiscaal vlak opportuniteiten, doch vraag raad aan een fiscaal adviseur om de vele fiscale valkuilen te ontwijken.

Neem contact op met een van onze adviseurs
An Lettens
An Lettens
Partner Tax & Legal Services